← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:23

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-054386-22 vonnis van de meervoudige kamer van 4 januari 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 december 2022, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 31 juli 2010 tot en met 30 juli 2017 met zijn minderjarige dochter, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit, het seksueel binnendringen van het lichaam; feit 2: in de periode van 31 juli 2017 tot en met 30 juli 2018 met zijn minderjarige dochter, die toen ouder dan twaalf maar jonger dan zestien was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit, het seksueel binnendringen van het lichaam; feit 3: in de periode van 31 juli 2010 tot en met 30 juli 2018 met zijn minderjarige dochter, die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van de moeder, de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat bepaalde omstandigheden uit haar verklaring, onder meer over de feitelijke gang van zaken en de gedragsverandering die bij haar heeft plaatsgevonden, passen in de verklaringen die haar moeder en verdachte hierover hebben afgelegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten kan komen omdat er geen sprake is van wettig bewijs. Subsidiair is er op basis van het dossier ruimte voor twijfel, zodat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank dient te beoordelen of verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het slachtoffer en de verdachte. In de wet is bepaald dat het bewijs dat de verdachte een feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van het slachtoffer. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, is die enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De verklaring moet in ieder geval ondersteund worden door één bewijsmiddel uit een andere bron. Het ondersteunend bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van het slachtoffer en dit bewijsmateriaal moet bovendien uit een andere bron stammen. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] beperkt is en weinig details bevat. Dit tast in beginsel de betrouwbaarheid van de verklaring niet aan, maar maakt wel dat behoedzaam met haar verklaring moet worden omgegaan. Alleen als het beschikbare steunbewijs van voldoende gewicht is, kan deze terughoudendheid worden weggenomen. Verdachte heeft de door [slachtoffer] benoemde en ten laste gelegde seksuele handelingen telkens ontkend. In het dossier bevindt zich een verklaring van de moeder van [slachtoffer] . Deze verklaring is vrijwel geheel gebaseerd op dat wat zij van [slachtoffer] heeft vernomen en vormt daarom geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] . Haar verklaring dat de verdachte haar drie jaar geleden een keer heeft verteld dat hij met zijn mond aan de vagina van [slachtoffer] heeft gezeten, wordt door de verdachte ontkend. De overige door de officier van justitie geschetste omstandigheden, acht de rechtbank evenmin voldoende om de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te achten. Niet kan worden vastgesteld dat deze omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de bij [slachtoffer] waargenomen gedragsverandering, in direct verband staan met de aan verdachte verweten ontuchtige handelingen. Verder stelt de rechtbank vast dat nader onderzoek naar bepaalde omstandigheden ontbreekt en dat het dossier geen directe bewijsmiddelen voor de tenlastegelegde feiten bevat. Nu nagenoeg al het bewijs voor de verweten ontuchtige handelingen is terug te voeren op dezelfde bron, namelijk de verklaring van [slachtoffer] , acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte zal daarom van deze feiten worden vrijgesproken. 5De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 januari 2023. Mr. Van der Ploeg-Hogervorst is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.