RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/5762 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2023 op het verzet van [belanghebbende], te [plaats 1], [land], belanghebbende. Procesverloop Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst van 11 november 2021 beroep ingesteld. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen voor het jaar 2017 met aanslagnummer [aanslagnummer]. Bij uitspraak van 1 juli 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet op 31 maart 2023 op zitting behandeld. Belanghebbende is verschenen. Overwegingen De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht wegens het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde griffierecht. Belanghebbende voert in haar verzetschrift tegen de uitspraak van de rechtbank inhoudelijke gronden aan. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank echter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoudelijke beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak pas toekomen als het verzet gegrond is. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat ze op de hoogte was van de verschuldigdheid van griffierecht, maar dat ze de nota en herinneringsnota niet heeft ontvangen. Pas bij brief van 20 maart 2023 is belanghebbende bekend geworden met de herinneringsnota. De postbezorging in [land] verloopt met name bij postzendingen vanuit het buitenland met vertraging. Belanghebbende geeft als voorbeeld dat ze kerstkaarten pas in de maand februari binnenkrijgt en dat ze soms post niet ontvangt. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat ze het griffierecht op 30 maart 2023 alsnog heeft overgemaakt. De rechtbank heeft belanghebbende hierover meegedeeld dat het griffierecht automatisch wordt geretourneerd. Oordeel rechtbank Van de indiener van het beroepschrift wordt een griffierecht geheven (artikel 8:41, eerste lid van de Awb). Het griffierecht dient binnen vier weken na de verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort (artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb). Indien het griffierecht niet binnen de door de griffier gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 8:41, zesde lid, van de Awb). Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn. Gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van de Awb zal een beroep dan niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij geoordeeld moet worden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is in de buitenzitting-uitspraak terecht geoordeeld dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd tot betaling van het griffierecht. Belanghebbende voert voor het eerst ter zitting aan dat zij geen nota’s griffierecht heeft ontvangen. De rechtbank zal dit aanmerken als een betwisting van de verzending van de nota’s. De rechtbank stelt voorop dat volgens de normale procedure eerst per gewone post een nota voor het griffierrecht wordt verzonden met een termijn van vier weken om het griffierecht te voldoen. Als binnen de gestelde termijn het griffierecht niet is voldaan wordt per aangetekende post een herinneringsnota verzonden met een nieuwe termijn. Een dergelijke aangetekende brief is ook aan belanghebbende verzonden naar het door haar opgegeven adres in [land]. Wegens het niet kunnen uitreiken aan belanghebbende, is deze brief volgens aantekening op de enveloppe afgeleverd bij een afhaallocatie/postkantoor te [plaats 2]. Door het postkantoor is geregistreerd dat er een bericht is achtergelaten op 2 februari 2022 en dat de brief teruggezonden dient te worden aan de afzender op 19 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.