RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-136208-22 vonnis van de meervoudige kamer van 20 april 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] thans verblijvende in [verblijfadres ] raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 december 2022, 18 januari 2023 en 6 april 2023, waarbij de officier van justitie, mr. L. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft op een eerdere zitting de zaken met parketnummers 02-013525-22, 02-064478-22 en 02-136208-22 gevoegd. Thans is de rechtbank gebleken dat voeging van de zaken niet in het belang van het onderzoek is en beveelt daarom splitsing van de gevoegde zaken. De zaken met parketnummers 02-013525-22 en 02-064478-22 blijven gevoegd en de zaak met parketnummer 02-136208-22 wordt afgesplitst. In de zaak met parketnummers 02-013525-22 en 02-064478-22 wordt apart vonnis gewezen. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 31 mei 2022 in Tilburg brand heeft gesticht op zijn balkon. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte brand heeft gesticht op zijn balkon. Zij baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van [getuige 1] en de verklaring van de [getuige 2] , bevelvoerder van de brandweer. De officier van justitie is op grond van de bewijsmiddelen van mening dat bewezen kan worden verklaard dat sprake was van levensgevaar. Zij wijst daarbij op het gegeven dat naast verdachte in ieder geval ook [getuige 1] in het appartementencomplex aanwezig was. Daar komt bij dat ook de koolmonoxide voor levensgevaar zorgde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank op zich tot een bewezenverklaring kan komen van de brandstichting, maar niet van het levensgevaar. Het dossier bevat geen rapport van de brandweer. Voorts is gebleken dat de boven-, onder- en naastgelegen appartementen niet bewoond waren. Er is weliswaar een koolmonoxidemeting geweest, maar niet duidelijk wordt waar precies die meting is gehouden. Dit alles maakt dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Verdachte moet dan ook voor dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken worden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Verdachte heeft brand gesticht op het balkon van zijn appartement. Dit heeft er in ieder geval toe geleid dat sprake is geweest van gevaar voor goederen. De vraag die beantwoord moet worden is of toen ook sprake is geweest van levensgevaar of van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat het dossier voor beantwoording van die vraag ontoereikend is. Zo wordt niet duidelijk welke appartementen in appartementencomplex bewoond waren en hoe die appartementen zich verhouden qua ligging en afstand tot het appartement van verdachte. Dit maakt dat de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen zal verklaren en verdachte van dat onderdeel zal vrijspreken. Aangezien verdachte ten aanzien van het deel dat ziet op gevaar voor goederen een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 december 2022; - het proces-verbaal van aangifte door [aangever] (pagina 3 van het eind proces-verbaal met nummer PL2000-2022140455); - het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 5 van het eind proces-verbaal met nummer PL2000-2022140455); - het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] (pagina 12 van het eind proces-verbaal met nummer PL2000-2022140455). 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 mei 2022 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht op het balkon behorende bij een woning, gelegen aan de [adres ] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met folders, op voornoemd balkon, ten gevolge waarvan een gedeelte van dat balkon en die woning en zich op voornoemd balkon bevindende goederen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor die woning en de overige zich in voornoemde woning/op voornoemd balkon bevindende goederen en/of belendende woningen, te duchten was; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 5De strafbaarheid en oplegging maatregel 5.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. 5.2 De strafbaarheid van verdachte 5.2.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is voor de brandstichting. Verdachte heeft als gevolg van een psychotische toestand brand gesticht. Het feit kan dan ook niet aan verdachte worden toegerekend en hij dient van alle rechtsvervolging ontslagen te worden. De officier van justitie is van mening dat een terbeschikkingstelling (hierna tbs) met voorwaarden op zijn plaats is. Aan de wettelijke criteria is voldaan. Gelet op de leeftijd van verdachte en op hoe het nu met hem gaat, moet hij een kans krijgen door middel van de tbs met voorwaarden, zoals door de reclassering geformuleerd. De officier van justitie is van mening dat de duur van de tbs ongemaximeerd is in de zin van artikel 38e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, nu zij ervan uit gaat dat sprake was van levensgevaar door de brandstichting. Tot slot vordert zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging Ook de verdediging is van mening dat verdachte volledige ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en om die reden een ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De verdediging kan zich verder vinden in de gevorderde tbs met voorwaarden. Wel is de verdediging van mening dat de duur van de tbs gemaximeerd is, aangezien er geen sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, maar dat dit feit hem niet toegerekend kan worden. Uit het rapport van [psychiater] d.d. 14 oktober 2022 blijkt immers dat bij verdachte ten tijde van het strafbare feit sprake was van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een lichte stoornis in cannabisgebruik. Verdachte was in een psychose terechtgekomen. Er is een hoog recidiverisico voor geweldsdelicten wanneer verdachte geen behandeling krijgt. Geadviseerd wordt om de behandeling in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, omdat verdachte vanuit een volledig ontbrekend ziektebesef en ziekte-inzicht behandeling weigert. De rechtbank stelt vast dat [psycholoog] bij rapport van 4 november 2022 tot een soortgelijke conclusie is gekomen voor wat betreft de stoornis. Ook het recidiverisico wordt als hoog beschouwd door de psycholoog. Evenals de psychiater komt de psycholoog tot het advies om een tbs met dwangverpleging op te leggen. Naar aanleiding van een veranderde houding bij verdachte heeft [psychiater] aanvullend gerapporteerd. In het rapport van 11 januari 2023 heeft zij geconcludeerd dat nog steeds sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een lichte stoornis in cannabisgebruik. Ook wordt het recidiverisico nog steeds als hoog ingeschat wanneer een behandeling zou uitblijven. De psychiater is van mening dat nu wel ziektebesef bij verdachte aanwezig is, zij het nog pril en zeer beperkt, en dat bij hem het ziekte-inzicht ontbreekt. Vanwege zijn tot recent aanwezige zelfbepalende en zorgmijdende houding en zijn hoge lijdensdruk, acht de psychiater de kans groot dat verdachte zich uiteindelijk niet aan de voorwaarden van een tbs met voorwaarden zal houden. Zij adviseert om die reden nog steeds een tbs met dwangverpleging. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van de reclassering van 27 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.