RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/344785-21 vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 1988 te Land onbekend thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Vught raadsman mr. T.J.F. wassenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2023, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 december 2021 in [plaats] [slachtoffer] heeft vermoord 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op 25 december 2021 heeft gedood door meerdere keren in het lichaam te steken. Verdachte heeft deze gedragingen bekend. Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren waaruit blijkt dat er een plan was gemaakt, waardoor niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van moord. De officier van justitie acht de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde moord nu er aan de zijde van verdachte geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Hiervoor komen onvoldoende feiten en omstandigheden uit het dossier naar voren. Met betrekking tot de ten laste gelegde doodslag heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De aanleiding tot het ten laste gelegde Verdachte had gedurende een aantal maanden een relatie met [vrouw van slachtoffer] (hierna [vrouw van slachtoffer] ), de vrouw van [slachtoffer] , welke relatie was geëindigd. In de late avond van 24 december 2021 zoekt verdachte via onder andere WhatsApp contact met [vrouw van slachtoffer] om haar te ontmoeten. Ondanks dat zij aangeeft dit niet te willen, gaat verdachte naar haar woning toe. Daar aangekomen, net na middernacht, belt hij meerdere keren aan. Als er niemand open doet, gaat hij terug naar de auto en rookt daar een sigaretje. Dan stapt verdachte weer uit en belt weer aan. [slachtoffer] loopt naar beneden en opent de deur. Bewijs van de doodslag van [slachtoffer] De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Wanneer [slachtoffer] de deur van zijn woning te [plaats] heeft geopend, ontstaat er in de vroege nacht van 25 december 2021 voor in de hal, een vechtpartij tussen [slachtoffer] en verdachte. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] meermalen heeft gestoken. Volgens verdachte was dat met een schroevendraaier. Op grond van het NFI-rapport komt de rechtbank echter tot het oordeel dat verdachte meermalen met een scherprandig voorwerp, zoals een mes, heeft gestoken. Vijf steken aan de linkerzijde van de borst van [slachtoffer] . Met een van die steken wordt het hart geraakt. Door dat laatste steekletsel is [slachtoffer] overleden. De andere verwondingen kunnen enigermate aan de snelheid van het overlijden hebben bijgedragen. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] op 25 december 2021 te [plaats] om het leven heeft gebracht door met een scherprandig voorwerp, zoals een mes, te steken. Opzet op de dood Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte naar de woning van [slachtoffer] ging met het doel om hem van het leven te beroven. Voorbedachte raad kan dan ook niet worden bewezen. Evenmin staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de dood van [slachtoffer] heeft gewild. Van ‘vol’ opzet is dan ook geen sprake. Wel is er duidelijk sprake van voorwaardelijk opzet op het overlijden van [slachtoffer] door hem met een scherp voorwerp te steken. Daarvoor is vereist dat er sprake is van een gedraging die in de gegeven omstandigheden de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid in het leven roept van een bepaald gevolg; in dit geval de dood. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake wanneer met een scherp voorwerp wordt gestoken in de borst op de plek waar zich het hart bevindt. Ongeacht of je dat als verdachte in aanvang wel of niet had gewild. Door dat herhaaldelijk te doen, neem je die kans ook op de koop toe. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 december 2021 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met een scherprandig voorwerp (zoals een mes), in diens borst en/of hart en/of buik en/of (boven)armen te steken, waardoor die [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Het slachtoffer heeft schreeuwend met een hamer uitgehaald naar verdachte en hem vastgepakt om hem de woning in te trekken. Er ontstond een worsteling tussen het slachtoffer en verdachte waarbij verdachte zichzelf heeft verdedigd door het slachtoffer te steken. Deze verklaring wordt ondersteund door [vrouw van slachtoffer] , [verbalisant] , [getuige 1] en [getuige 2] . Op basis van de videoreconstructie kan worden geconcludeerd dat de verklaring van verdachte past bij de rest van het dossier. De verdediging wijst hiervoor naar de aangetroffen bloedsporen en de steekletsels bij het slachtoffer. Voorts wijst de verdediging naar het rapport van het Pieter Baan Centrum. Hierin wordt verdachte omschreven als een niet primair agressieve man, wat past bij het scenario van verdachte. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat ook indien verdachte een scherpranding voorwerp (zoals een mes) zou hebben meegenomen dit een beroep op noodweerexces niet uitsluit. Verdachte heeft zich noodzakelijkerwijs moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer verdachte heeft aangevallen met een hamer. De officier van justitie weegt hierin mee dat verdachte pas op een voor hem opportuun moment heeft verklaard over de hamer. Verdachte had geen, althans nauwelijks, letsel en zijn DNA zat niet op de hamer. De vriend van verdachte heeft op geen enkel moment over de hameraanval verklaard. Uit de verklaringen van [vrouw van slachtoffer] en verdachte zelf blijkt dat verdachte eerst met het slachtoffer heeft gepraat. Dit is anders dan verdachte tijdens de videoreconstructie doet voorkomen. Het verhaal van de schroevendraaier, namelijk dat hij deze altijd bij zich heeft voor autoproblemen, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Uit forensisch onderzoek is daarnaast gebleken dat er is gestoken met een scherprandig voorwerp, zoals een mes. Ten slotte merkt de officier van justitie op dat verdachte niet consistent verklaart over het vastpakken door het slachtoffer. Het beroep op noodweer(exces) dient dan ook te worden verworpen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Volgens hem deed [slachtoffer] nadat verdachte voor de tweede keer had aangebeld, direct de deur open en haalde uit met een hamer die hij in zijn hand had. Verdachte ging in de beweging mee naar achter, maar werd geraakt op zijn lip. Door die aanval raakte verdachte helemaal in paniek, pakte hij een schroevendraaier uit de achterzak van zijn broek en stak hij [slachtoffer] meermalen met die schroevendraaier. Hij heeft met alle kracht geslagen, want [slachtoffer] liet niet los. Bij de laatste steek liet hij los en kon verdachte wegrennen. De schroevendraaier zou verdachte altijd bij zich hebben om in geval van een lekke band de wieldoppen van zijn auto te kunnen verwijderen. Tijdens de videoreconstructie die op verzoek van verdachte is gehouden, doet verdachte voor dat hij direct na de eerste uithaal/klap door [slachtoffer] heeft gestoken. In geval van een beroep op noodweer(exces) moet de rechtbank beoordelen welke betekenis toekomt aan de inhoud en indringendheid van de door of namens verdachte aangevoerde argumenten. Bij de beoordeling daarvan kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, maar de last tot het aannemelijk maken mag niet uitsluitend bij verdachte worden gelegd. Het door verdachte gevoerde verweer dat er sprake is van noodweerexces, heeft als uitgangspunt de verklaringen van verdachte. Ook de videoreconstructie is als zodanig te beschouwen. Dat is immers niets anders dan een door verdachte uitgebeelde verklaring van wat er gebeurd zou zijn. De rechtbank zal hierna ingaan op de inhoud en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd, de consistentie daarvan en op de feiten en omstandigheden uit het dossier. De door verdachte afgelegde verklaringen Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over het gebeuren. Tijdens het eerste verhoor op 25 december 2021 ontkent verdachte de bewuste avond weg te zijn geweest. Hij is toen niet in [plaats] geweest. Tijdens zijn tweede verhoor op 27 december 2021, waarbij zijn raadsman aanwezig was, bekent verdachte in [plaats] te zijn geweest. Nadat [slachtoffer] open had gedaan, had hij gevraagd of hij [vrouw van slachtoffer] kon spreken. [slachtoffer] ging even naar binnen en wilde verdachte vervolgens met zijn vuist slaan. Verdachte was toen snel weggegaan. Hij heeft niets te maken met de dood van [slachtoffer] . Hij had niet gevochten. Hij had geen letsel. Op 28 december, tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, zegt verdachte de waarheid te hebben gesproken bij de politie en daaraan niets te willen toevoegen. De huidige raadsman van verdachte heeft toen, na ontvangst van het raadkamerdossier, een noodweerscenario naar voren gebracht waarin door hem wordt gesteld dat [slachtoffer] een hamer in zijn hand zou hebben gehad en daarmee zou hebben geslagen. Daarop zou door verdachte zijn gereageerd. Pas na dit verhoor komt verdachte in zijn verhoor van 3 januari 2022 met de verklaring zoals hiervoor in aanvang weergegeven, die in de lijn ligt van het noodweerscenario dat de raadsman van verdachte naar voren heeft gebracht. Tijdens de videoreconstructie geeft verdachte aan dat [slachtoffer] hem zelfs meerdere keren zou hebben aangevallen. De door verdachte afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook wisselend en geenszins consistent. Uit het procesdossier blijkende feiten en omstandigheden * Volgens verdachte heeft [vrouw van slachtoffer] die nacht met hem contact gezocht. Uit de weergave van de app-gesprekken blijkt echter naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte degene is die contact zoekt. Hij wilde langs komen. Zij wilde dat niet. * Verdachte verklaart dat toen [slachtoffer] hem in de deuropening vastpakte, [slachtoffer] hem naar binnen wilde trekken. Dit is echter naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de verklaring van [getuige 2] dat volgens zeggen van verdachte deze naar binnen wilde, maar dat [slachtoffer] hem niet binnen liet en dat ze ruzie hadden gemaakt. Uit de verklaring van [vrouw van slachtoffer] leidt de rechtbank ook af dat verdachte er op bleef aandringen dat hij met haar wilde spreken. Zij hoort hem dat twee keer zeggen en ook dat [slachtoffer] zegt dat hij weg moet gaan en dat ze verdachte hoort zeggen “motherfucker”. De rechtbank acht het, gelet op wat eraan vooraf is gegaan, ook veel waarschijnlijker dat verdachte naar binnen wilde en dat [slachtoffer] dat juist wilde voorkomen. Door aan te blijven dringen om naar binnen te mogen, heeft verdachte zelf een situatie gecreëerd die kon uitmonden in een handgemeen. * Verdachte zou volgens zijn verklaring ter zitting de tweede keer maar kort hebben aangebeld. [slachtoffer] zou toen, zo kan worden opgemaakt uit zijn weergave tijdens de videoreconstructie, direct de deur hebben open gedaan en direct hebben uitgehaald met de hamer. Deze gang van zaken past naar het oordeel van de rechtbank niet bij wat verdachte zelf eerder heeft verklaard namelijk dat er door hem, nadat de deur was open gedaan, is gevraagd of hij [vrouw van slachtoffer] kon spreken. Dat er een gesprek heeft plaatsgevonden blijkt ook uit de verklaring van [vrouw van slachtoffer] over wat zij hoorde dat er gezegd werd. In de weergave van verdachte zou het bovendien zo zijn dat [slachtoffer] min of meer achter de deur heeft staan wachten, om direct open te doen toen verdachte aanbelde. Dat acht de rechtbank onwaarschijnlijk. Niet alleen op grond van de verklaring van [vrouw van slachtoffer] dat [slachtoffer] pas na de tweede keer aanbellen naar beneden ging, maar ook omdat er voor [slachtoffer] geen reden was om te verwachten dat verdachte een tweede keer zou aanbellen. Al deze omstandigheden duiden naar het oordeel van de rechtbank niet op een directe aanval door [slachtoffer] toen de deur werd geopend. * Verdachte verklaart pas in zijn derde verhoor dat hij met een hamer is geslagen. In zijn tweede verhoor verklaart hij alleen dat er geslagen is. Dit laatste past naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van [getuige 2] dat verdachte, toen hij terug kwam in de auto, heeft verklaard dat er geslagen was, maar dat hij niet heeft gezegd dat er met een voorwerp was geslagen. Het komt de rechtbank voor dat wanneer er zou zijn geslagen met een hamer zo groot als uit het dossier blijkt, dit wel een aspect zou zijn geweest om te vertellen tegen [getuige 2] . * Verdachte heeft verklaard met een schroevendraaier te hebben gestoken. Echter de deskundige van het NFI komt tot de bevinding dat het zeer veel waarschijnlijker is dat er is gestoken met één of meer scherprandige voorwerpen, zoals een mes, dan met een al dan niet platte maar in ieder geval scherpe schroevendraaier. De rechtbank acht het ook ongeloofwaardig dat je vanwege een lekke band die je maanden geleden hebt gehad, steeds bij het weggaan een schroevendraaier bij je steekt, in plaats van die gewoon blijvend in je auto te leggen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er met een scherprandig voorwerp, zoals een mes, is gestoken en dat verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard. Conclusie Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de door verdachte afgelegde verklaringen ongeloofwaardig. Het door hem geschetste scenario past ook niet in de door de rechtbank hiervoor weergeven feiten en omstandigheden, waaruit een andere gang van zaken naar voren komt. Niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] met een hamer verdachte heeft geslagen. Het is zeer wel mogelijk dat [slachtoffer] de hamer pas heeft gepakt nadat verdachte hem had gestoken. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte zich moest verdedigen en dus ook niet van noodweerexces. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen. Omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze contact opneemt met de weduwe en de kinderen van [slachtoffer] , met vervangende hechtenis van één maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft tevens verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te gelasten. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, nu is verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een van de zwaarste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent. Verdachte is naar de woning van [slachtoffer] gegaan waar hij woonde met zijn vrouw [vrouw van slachtoffer] en hun twee kinderen [kind van slachtoffer 1] en [kind van slachtoffer 2] . Verdachte zocht op de bewuste avond telefonisch contact met [vrouw van slachtoffer] , met wie hij een relatie had gehad. Verdachte wilde [vrouw van slachtoffer] zien, maar zij had aangegeven dat verdachte die avond niet welkom was. Toch ging verdachte naar de woning en belde hij meermaals op verschillende momenten bij de woning aan. [slachtoffer] opende de deur waarna een schermutseling ontstond. Verdachte heeft hierbij zes steekletsels toegebracht waardoor hij een abrupt einde heeft gemaakt aan het leven van [slachtoffer] . Verdachte heeft hierdoor het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, van [slachtoffer] ontnomen en heeft hierdoor een groot en onherstelbaar verlies en veel verdriet toegebracht aan de nabestaanden en iedereen die [slachtoffer] lief had. Het leven van de nabestaanden zal sinds die nacht van 25 december 2021 nooit meer hetzelfde zijn. Namens [vrouw van slachtoffer] , [kind van slachtoffer 1] en [kind van slachtoffer 2] en door de zus van [slachtoffer] is tijdens de zitting de impact van het overlijden van [slachtoffer] indringend verwoord. De zus van [slachtoffer] gaf aan zij een gezin waren van vijf personen. Haar oudere broer, vader en moeder zijn in de afgelopen jaren overleden. Dit was telkens een natuurlijke dood waar ze vrede mee kan hebben. Met het overlijden van haar jongste broer – [slachtoffer] – kan ze geen vrede hebben nu zijn overlijden een gevolg is van een laffe daad. Het slachtoffer werd door heel veel mensen geliefd. Hij stond altijd klaar om anderen te helpen. Ook zijn kinderen die hem nog steeds heel hard nodig hebben zullen hem de rest van hun leven moeten missen. [vrouw van slachtoffer] gaf aan dat haar man een lieve, zorgzame, vrolijke man was die voor iedereen klaar stond. In het gezin was hij de spil om wie alles draaide. Door zijn gewelddadige overlijden is niet alleen zijn leven beëindigd, maar is ook het leven van [vrouw van slachtoffer] en haar kinderen kapot gemaakt. Ze draagt nu alleen de zorg voor de kinderen waardoor ze niet toekomt aan haar eigen verdriet. De stress uit zich inmiddels ook lichamelijk. De kerstperiode was altijd een fijn tijd met lichtjes, versieren, feest, rust en vrede. Dat is nu voor altijd zwart en donker voor haar terwijl de wereld om haar heen doorgaat. De 10 jaar met het slachtoffer waren de beste jaren van haar leven en dat is nu voorgoed voorbij. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad en zich uitsluitend als slachtoffer heeft opgesteld. Persoonlijke omstandigheden Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit of een ander geweldsfeit met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages van [psychiater 1] en [psycholoog] . Uit deze rapportages komt naar voren dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. Omdat er geen goed zicht op de diagnostiek en doorwerking is gekomen en verdachte zich beroept op noodweer, kan een passend interventieadvies niet gegeven worden. De deskundigen hebben in overweging te geven om verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Naar aanleiding hiervan is verdachte onderzocht bij het PBC. De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het PBC van 7 februari 2023 dat is opgesteld door [psychiater 2] en [GZ-psycholoog] . De deskundigen zien bij verdachte geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek in engere zin, zoals een angst-, stemmings- of psychiatrische stoornis. Evenmin worden er aanwijzingen gezien voor een ontwikkelingsstoornis als ADHD of autisme. Wel is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze diagnose wordt gesteld op basis van een vanaf zijn geboorte vertraagd verlopen ontwikkeling, de gemeten intelligentie en beperkingen in het adaptief functioneren. Verdachte lijdt weliswaar aan een verstandelijke beperking – licht van ernst – wat hem maakt tot een emotioneel en sociaal wat beperkte man, met name op het gebied van inzicht en overzicht, maar dit heeft nooit geleid tot grote problemen in het functioneren. Ook zijn er geen aanwijzingen voor bijkomende psychopathologie op het gebied van de impulsbeheersing en de agressieregulatie. Hoe verdachte is gekomen tot het ten laste gelegde waarbij hij ernstig agressief is geworden, laat zich naar de mening van de deskundigen niet (deels) verklaren vanuit de geconstateerde psychopathologie. Zij onthouden zich dan ook van een advies over de mate van toerekenbaarheid van verdachte. Er kan ook geen uitspraak worden gedaan over een pathologisch gedreven recidiverisico. De deskundigen zien dan ook geen noodzaak om verdachte te behandelen om de kans op recidive te verminderen. Gevangenisstraf Vanwege de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 jaar. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Vrijheidsbeperkende maatregel Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel, in de vorm van een contactverbod met de weduwe en kinderen van [slachtoffer] voor een periode van vijf jaar, opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens deze personen, nu hiervan in de afgelopen 16 maanden ook geen sprake is geweest. 7De benadeelde partijen De nabestaanden van [slachtoffer] hebben via hun raadsman mr. F.J.M. Hamers een vordering als benadeelde partij ingediend. De rechtbank stelt vast dat de gebeurtenis van 25 december 2021 een enorme impact heeft gehad op alle betrokkenen en tot groot verdriet heeft geleid. Dit zal op geen enkele wijze kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank benadrukt dit omdat de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een juridische beoordeling is die onmogelijk ook de mate van verdriet van de nabestaanden om het gemis van hun man, vader en broer tot uitdrukking kan brengen. De rechtbank zal eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld. 7.1 Juridisch kader Materiële schade Artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geeft in samenhang met artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces. De schadeposten die in aanmerking kunnen komen voor vergoeding aan een nabestaande zijn schade door het wegvallen van inkomen van degene die is overleden, de kosten van lijkbezorging, bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (affectieschade), shockschade en de schade die als erfgenaam kan worden gevraagd. Artikel 6:108, tweede lid, van het BW bepaalt dat degene die verantwoordelijk is voor de dood van een ander verplicht is de kosten van lijkbezorging te vergoeden aan degene die deze kosten heeft betaald. Affectieschade Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding een symbolisch karakter heeft, omdat met geen mogelijkheid volledige compensatie gegeven kan worden voor het verdriet van de naasten. De kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg/stief)ouders en kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Shockschade Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade, sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.