RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/273968-22 vonnis van de meervoudige kamer van 3 mei 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. P.P. Zomer, advocaat te Tilburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 april 2023, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is ter terechtzitting mondeling aangevuld overeenkomstig artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 5 mei 2017 tot en met 20 april 2022 kinderporno (feit 1) en dierenporno (feit 2) in zijn bezit heeft gehad en dat hij van het plegen van die misdrijven een gewoonte heeft gemaakt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten, inclusief het gewoonte maken, wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op de bevindingen van de politie en de bekennende verklaring van verdachte. Gelet op de periode van bijna twee jaar waarin verdachte kinderporno in zijn bezit had - en zich daartoe toegang heeft verschaft - en de omvang van die kinderporno is volgens de officier van justitie sprake van een gewoonte maken van het bezit van kinderporno. Over het verweer van de verdediging dat het bewijs onrechtmatig is verkregen (zie hieronder) is de officier van justitie van mening dat dit verweer dient te worden verworpen. Hij stelt dat meldingen vanuit het National Center for Missing and Exploited Children (hierna: NCMEC) wereldwijd worden gebruikt en dat het de spil is waarom de bestrijding van kinderporno draait. Het is vaste praktijk dat een NCMEC-melding voldoende is om een onderzoek te starten. In deze zaak staat op de eerste melding van het NCMEC (blz 34 van het dossier) dat het om “apparent child pornography” en om een “hash match” gaat. Er bestaat wereldwijd een databank van bekende kinderporno die op internet verschijnt en elk bestand heeft een bepaalde code en een eigen unieke hashwaarde. De door verdachte geüploade bestanden zijn gecontroleerd met bepaalde software waarbij de kinderporno met bekende hashwaardes, door middel van hashmatches, eruit is gefilterd. KIK Messenger (een chat-app) gebruikt die hashwaardes ook, waardoor gezegd kan worden dat er vermoedelijk (“apparent”) kinderporno is geüpload. Dat het “vermoedelijk” wordt genoemd, is omdat altijd nog door een mens moet worden beoordeeld of de vermoedelijke kinderpornobestanden daadwerkelijk kinderporno bevatten. Dat deze informatie voldoende is voor een verdenking als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) blijkt ook wel uit de vele uitspraken die tot op heden zijn gedaan door rechtbanken en gerechtshoven. Over het binnentreden in de woning van verdachte overweegt de officier van justitie dat verdachte de verbalisanten met zijn toestemming heeft binnengelaten. Toen de verbalisanten zeiden dat zij van de politie waren, deed verdachte spontaan een mededeling. De verbalisanten hadden de cautie toen nog niet kunnen geven. Dat deden zij wel direct na de spontane mededeling van verdachte. Toen kwam de vordering tot afgifte van gegevensdragers waaraan verdachte gewoon moest voldoen. Volgens de officier van justitie is er ook op dit punt geen sprake van een vormverzuim. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hij wijst daarbij primair op de omstandigheid dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Volgens de raadsman is deze strafzaak aan het licht gekomen doordat de Nederlandse politie een melding ontving van het Amerikaanse NCMEC over de mogelijke vondst van kinderporno. Deze melding is door de Nederlandse politie niet geverifieerd en er is ook niet gedocumenteerd welke informatie uit de NCMEC-melding volgt. Die controle had moeten plaatsvinden. Nu dat niet is gebeurd is er geen sprake van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv waardoor de politie niet mocht overgaan tot de handelingen die zij vervolgens heeft verricht. Bovendien is de politie de woning van verdachte binnengetreden zonder de daarvoor volgens artikel 97 Sv vereiste machtiging. Dat gebrek is niet gerepareerd door een expliciete toestemming van verdachte voor het binnentreden in de woning. De verbalisanten waren immers al in de woning toen zij toestemming vroegen en verdachte stond toen al voor een voldongen feit. De politie had bovendien verdachte voorafgaande aan de vraag om toestemming moeten wijzen op zijn recht op een advocaat. Door dit alles is er onrechtmatig binnengetreden. De resultaten van het daarop volgende onderzoek dienen dan ook van het bewijs te worden uitgesloten. Daarnaast is volgens de raadsman verzuimd om de cautie tijdig aan verdachte te geven, waardoor sprake is van een onherstelbaar verzuim in de zin van artikel 359a Sv. Daardoor is verdachte in zijn belangen geschaad als gevolg waarvan zijn verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten. De raadsman concludeert op grond van dit alles dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte heeft verklaard dat er een periode is geweest waarin “dingen automatisch werden opgeslagen omdat er een app was geüpdatet”. Dit impliceert dat verdachte voor het materiaal dat automatisch en aldus ongevraagd en onbedoeld werd opgeslagen geen opzet had op de aanwezigheid daarvan. Daarnaast volgt uit het dossier dat 56 % van de aangetroffen kinderporno en 100 afbeeldingen met dierenporno direct benaderbaar waren voor verdachte. Het restant (44 % van de kinderporno en 384 afbeeldingen met dierenporno) was dus niet benaderbaar voor verdachte en hij had daar dan ook niet de beschikkingsmacht over. Ten gevolge daarvan had hij dat restant niet in zijn bezit. Gelet op de duur van het bezit in de periode van 2020 tot 2021, waarbij het uploaden ook nog met grote tussenpozen gebeurde, is geen sprake van gewoonte maken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage II die aan het vonnis zal worden gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 1 De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen, inclusief de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte kinderporno, waarvan ongeveer 553 afbeeldingen die direct benaderbaar waren, op een aantal gegevensdragers in zijn bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van geautomatiseerde werken en/of met gebruikmaking van communicatiediensten de toegang heeft verschaft. Voorts acht de rechtbank, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dierenporno in zijn bezit heeft gehad. Gewoonte maken? Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen zich beperken tot de periode van 13 oktober 2020 t/m 13 mei 2021, derhalve een periode van ongeveer 7 maanden en tot de datum 20 april 2022. Dit baseert de rechtbank op de inhoud van de meldingen van NCMEC, waarbij de rechtbank vaststelt dat volgens deze meldingen in de periode van 20 april 2021 tot en met 13 mei 2021 38 kinderpornografische afbeeldingen en in de periode van 13 oktober 2020 tot en met 27 oktober 2020 twee kinderpornografische afbeeldingen zijn geüpload door verdachte. Gelet op de duur van deze periode, de ruime tussenpozen binnen deze periode en de relatief geringe omvang van de geüploade bestanden in deze periode is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gewoonte maken, de strafverzwarende omstandigheid van artikel 240b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Van de overige bestanden is niet bekend wanneer verdachte die in zijn bezit heeft gekregen of wanneer hij zich daartoe toegang heeft verschaft. Hij had in elk geval ongeveer 553 (zijnde 56 % van het totale aantal aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen) direct benaderbare afbeeldingen in zijn bezit tijdens het binnentreden van de politie op 20 april 2022. Verdachte heeft zich daarnaast op enig moment tot het restant (44 % van het totale aantal aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen) de toegang verschaft, maar niet kan worden vastgesteld wanneer dat is geweest. Onrechtmatig bewijs? Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van onrechtmatige bewijsvergaring en/of vormverzuimen die zou(den) moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Het verweer over de NCMEC-meldingen verwerpt de rechtbank op dezelfde gronden als de officier van justitie. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze meldingen bij rechtbanken en gerechtshoven in Nederland voldoende zijn om een verdenking in de zin van artikel 27 Sv op te baseren. Uit het meldingsrapport van NCMEC met [nummer] maakt de rechtbank op dat door middel van ook door de officier justitie genoemde “hashmatches” was gedetecteerd dat 38 bestanden met vermoedelijk kinderpornografische afbeeldingen waren geüpload via KIK Messenger door de gebruiker van het [e-mailadres] met de gebruikersnaam dripdruppeltje en een bepaald IP-adres. Het tweede meldingsrapport maakt melding van twee afbeeldingen met hetzelfde emailadres en IP-adres. De rapporten vermelden verder de bestandsnamen van de aangetroffen bestanden, waarbij vermeld wordt dat deze bestanden niet door NCMEC zijn bekeken. Het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) van de politie heeft deze meldingen verder onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat het vermelde IP-adres toebehoorde aan verdachte en waar verdachte woonachtig was en waar hij werkzaam was. Volgens het TBKK stond verdachte als enige ingeschreven op dat woonadres. Anders dan de raadsman stelt, zijn de meldingen dus wel degelijk verder onderzocht. Op grond van de NCMEC-meldingen en het verdere onderzoek naar het in de meldingen genoemde IP-adres, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende verdenking in de zin van artikel 27 Sv bestond om tot binnentreden ter inbeslagneming over te gaan. Ook het binnentreden en de daarop volgende handelingen hebben volgens de rechtbank niet op een onreglementaire wijze plaatsgevonden. Uit het dossier, met name het ambtsedig proces-verbaal van de politie over het binnentreden in de woning van verdachte op 20 april 2022, leidt de rechtbank af dat verdachte toestemming had gegeven aan de verbalisanten om de woning te betreden. In de woning werd aan verdachte uitgelegd waarvoor zij kwamen waarna verdachte spontaan begon te verklaren over onder andere foto’s die op zijn computer stonden. Direct daarna is aan verdachte de cautie gegeven. Vervolgens is de uitlevering gevorderd van alle gegevensdragers waarop kinderporno stond of kon staan. Verdachte heeft vervolgens een aantal gegevensdragers overhandigd die daarna in beslag werden genomen. De verklaring van verdachte op zitting dat hij die gegevensdragers niet heeft overhandigd, schuift de rechtbank terzijde, omdat zij uitgaat van wat in het ambtsedig proces-verbaal is beschreven en zij geen twijfel heeft over het waarheidsgehalte van dit proces-verbaal. Nadat verdachte ook nog toestemming had gegeven om de woning te doorzoeken, werd de woning daadwerkelijk doorzocht waarbij geen gegevensdragers meer werden aangetroffen. De rechtbank stelt dan ook vast dat: verdachte toestemming heeft gegeven om binnen te treden, de politie tijdig de cautie heeft gegeven omdat dit eerder nog niet noodzakelijk was en dit direct nadat verdachte spontaan begon te verklaren, is gebeurd, en verdachte toestemming heeft gegeven om de woning te doorzoeken. Die toestemming blijkt ook uit de schriftelijke toestemmingsverklaring in het dossier. Overigens stelt de rechtbank vast dat de politie op grond van artikel 551 Sv, welk artikel speciaal bedoeld is voor een verdenking in de zin van artikel 240b Sr, bevoegd was ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen en zij daartoe toegang had tot alle plaatsen waar redelijkerwijs vermoed kon worden dat zich daar gegevensdragers met kinderporno bevonden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit het dossier blijkt dat de verbalisanten een machtiging tot binnentreden van de hulpofficier van justitie bij zich hadden, maar deze niet hebben hoeven te gebruiken, gelet op de toestemming tot binnentreden van verdachte. De raadsman heeft ook nog aangevoerd dat de politie voorafgaand aan de vraag om toestemming tot binnentreden verdachte had moeten wijzen op zijn recht op een advocaat. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een situatie waarin de Salduz-normen van toepassing zijn. Er was geen sprake van een aanhouding of een met een aanhouding vergelijkbare situatie. Gelet op dit alles wordt het verweer van de raadsman dat het politieoptreden onrechtmatig was, door de rechtbank verworpen. Opzet Voor zover het opzet van verdachte op het bezit van kinderporno wordt betwist, nu gesteld wordt dat er een periode is geweest waarin “dingen automatisch werden opgeslagen omdat er een app was geüpdatet”, stelt de rechtbank vast dat verdachte heeft verklaard dat hij binnengekomen afbeeldingen met kinderporno heeft opgeslagen in aparte mapjes op zijn gegevensdragers en deze bewaard heeft. Dit impliceert dat verdachte bewust deze kinderporno heeft opgeslagen en daarmee opzet had op de aanwezigheid daarvan. Volgens de raadsman wordt zijn stelling ondersteund door de structuur van de namen van de mappen op de gegevensdragers. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn redenering. Dat afbeeldingen zonder tussenkomst van verdachte in automatisch aangemaakte mappen onder andere met de namen [mapnaam 1] en in mappen met de volgende onderdelen [mapnaam 2] worden opgeslagen lijkt de rechtbank zeer onaannemelijk. Feit 2 Op basis van de bewijsmiddelen, in het bijzonder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dierenporno (ongeveer 100 afbeeldingen die direct benaderbaar waren) in zijn bezit heeft gehad. Aangezien uit het dossier niet valt vast te stellen wanneer verdachte in het bezit is gekomen, maar wel vast staat dat hij ten tijde van de binnentreding in zijn woning op 20 april 2022 in het bezit was van dierenporno, acht de rechtbank in elk geval bewezen dat hij die dierenporno op 20 april 2022 in zijn bezit had. Op dezelfde gronden als onder feit 1 is overwogen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezitten van dierenporno. De rechtbank kan immers slechts bewijzen dat verdachte deze dierenporno op 20 april 2022 in zijn bezit had. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1op tijdstippen in de periode van 13 oktober 2020 tot en met 10 mei 2021 en op 20 april 2022, te Tilburg, telkens afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s -en/of gegevensdragers (te weten gsm's en/of computers)- bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen,waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken,in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaftwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de/een penis en/of vinger/hand en/of (een) voorwerp(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.