RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 10313925 CV EXPL 23-372 Vonnis van 17 mei 2023 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. S. Nijmeijer, werkzaam ten kantore van ARAG SE te Roermond, tegen [gedaagde] , wonende te [adres] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 januari 2023 met producties; - de conclusie van antwoord van 3 maart 2023; - de akte van [eiser] van 29 maart 2023; - de antwoordakte van [gedaagde] van 8 april
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling 2.
- [eiser] vordert - samengevat - de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van de gedane aanbetaling, te vermeerderen met rente en kosten. Zij voert aan dat [gedaagde] de bij hem bestelde keuken nimmer heeft geleverd, doordat [gedaagde] failliet was verklaard. Inmiddels is het faillissement opgeheven wegens een gebrek aan baten en is de eenmanszaak van [gedaagde] opgehouden te bestaan, zodat de keuken niet meer zal worden geleverd. De ontbinding van de overeenkomst is dan ook gerechtvaardigd. Het gevolg daarvan is dat [gedaagde] de aanbetaling dient terug te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. Op het verweer van [gedaagde] voert [eiser] aan dat de CBW-voorwaarden niet van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst. Ook zijn deze niet ter hand gesteld. Voor zover zij een beroep kon doen op de garantiebepaling, heeft de curator haar daar niet op gewezen. 2.
- [gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat [eiser] contact had moeten zoeken met de Centrale Branchevereniging Wonen (verder: CBW). De overeenkomt viel immers onder de garantievoorwaarden van de CBW. Hier was [eiser] ook van op de hoogte. Als zij contact had gezocht met de CBW, had de CBW haar doorverwezen naar een ander lid van de CBW en die had haar de keuken alsnog geleverd. De curator was ook op de hoogte van die regeling, zodat hij dat aan [eiser] had moeten melden. [gedaagde] mocht tijdens het faillissement geen contact hebben met klanten, zodat hij dit niet zelf kon doen. Ook is hij er niet mee bekend of de curator [eiser] op die regeling heeft gewezen. 2.
- De kantonrechter constateert dat tussen partijen vaststaat dat er een overeenkomst tussen hen is gesloten op grond waarvan [gedaagde] een keuken had moeten leveren aan [eiser] . Ook staat tussen partijen vast dat [eiser] een aanbetaling had gedaan ter hoogte van het gevorderde bedrag. Tot slot staat tussen partijen vast dat [gedaagde] door het faillissement niet meer kon leveren en dat inmiddels het faillissement is opgeheven wegens een gebrek aan baten. 2.
- [gedaagde] voert – kort gezegd – aan dat deze procedure onnodig was geweest als [eiser] haar vordering had aangemeld bij de CBW. Tussen partijen is in geschil of deze voorwaarden wel van toepassing waren op de overeenkomst. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat de CBW-voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Dit volgt immers niet uit de overgelegde producties. Dit is echter niet van belang, omdat, ook als uit wordt gegaan van de toepasselijkheid van de CBW-voorwaarden, [eiser] een beroep kon blijven doen op de ontbinding van de overeenkomst. De garantiebepaling van artikel 19 is een ‘kan’-bepaling. [eiser] is dan ook niet verplicht op deze wijze te handelen. Deze bepaling is enkel in de voorwaarden opgenomen om de consument te beschermen bij het faillissement van de leverancier en niet de leverancier. Het verweer slaagt dus niet. 2.
- Tussen partijen staat voorts vast dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen niet is nagekomen, zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. In artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is opgenomen dat iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet leveren van de keuken een voldoende ernstige tekortkoming om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen tot ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van de aanbetaling worden toegewezen. 2.
- [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt vervolgens overeen met de geldende forfaitaire tarieven, zodat deze zal worden toegewezen. 2.
- De gevorderde wettelijke rente is als niet, dan wel onvoldoende, weersproken toewijsbaar. 2.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom € 4.092,50 - buitengerechtelijke incassokosten € 646,44 + Totaal € 4.738,94 2.
- [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter zal enkel eenmalig de informatiekosten met betrekking tot de Basisregistratie Personen toekennen, nu niet is onderbouwd dat het noodzakelijk was tweemaal die informatie op te vragen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld: - kosten van de dagvaarding € 130,44 - griffierecht € 244,00 - salaris gemachtigde € 396,00 (1,5 punten × € 264,00) Totaal € 770,44 2.
- De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 3De beslissing De kantonrechter 3.
- ontbindt de overeenkomst tussen partijen, 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.738,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 mei 2023, tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 770,44, 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 132,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.