RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/400413 / FA RK 22-3594 Datum uitspraak: 24 mei 2023 Beschikking over gezagsbeëindigende maatregel in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT , locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad, over de minderjarige: [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2022 in [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [minderjarige01] . Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt: [de moeder01] , hierna te noemen: de moeder, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, per adres [stichting01] , [adres01] , STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna: de GI (Gecertificeerde Instelling). 1 Het procesverloop 1.1 Het procesverloop in deze zaak blijkt uit de volgende stukken: het op 10 augustus 2022 ingekomen verzoekschrift (pro forma), met bijlagen; de brief van 6 januari 2023 van de Raad, met bijlagen; de oproeping van de moeder in de Staatscourant op 19 januari 2023; het op 14 april 2023 ingekomen e-mailbericht van [stichting01] . 1.2 Op 20 april 2023 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord: een vertegenwoordigster namens de Raad; een vertegenwoordigster namens de GI. 1.3 Bij aanvang van de mondelinge behandeling constateert de rechtbank dat de moeder niet is verschenen. Uit het ambtshalve door de rechtbank geraadpleegde uittreksel van de moeder blijkt dat zij staat geregistreerd als ‘Registratie Niet Ingezetenen (RNI)’. In het raadsrapport staat vermeld dat de moeder in deze zaak domicilie kiest op voormeld briefadres van [stichting01] . Gelet hierop is de moeder opgeroepen voor de mondelinge behandeling in de Staatscourant met inachtneming van de daarvoor geldende driemaandentermijn en op voormeld briefadres van [stichting01] . Daarnaast heeft [stichting01] bij voormeld op 14 april 2023 ingekomen e-mailbericht doorgegeven dat de moeder aan hen heeft laten weten dat zij niet voornemens is om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de moeder correct is opgeroepen en dat zij kennelijk op de hoogte was van de mondelinge behandeling, maar dat zij desondanks niet is verschenen. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling daarom buiten aanwezigheid van de moeder voortgezet. 2 De feiten 2.1 [minderjarige01] is op [geboortedatum01] 2022 in [geboorteplaats01] geboren als kind van mevrouw [de moeder01] , geboren op [geboortedatum02] 1986 te [geboorteplaats02] , [geboorteland01] . 2.2 De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige01] . 2.3 Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van [geboortedatum01] 2022 is ten aanzien van [minderjarige01] voorlopige voogdij uitgesproken, waarbij de GI is benoemd tot zijn voogdes. 2.4 [minderjarige01] verblijft sinds 15 oktober 2022 in het gezin van zijn aspirant-adoptiefouders. 3 Het verzoek 3.1 De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige01] te beëindigen en adviseert om de GI te benoemen tot voogdes over [minderjarige01] . 3.2 De moeder heeft haar standpunt over het verzoek niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt. 3.3 Op de standpunten van de Raad en de GI zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, worden ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 4.2 Uit het rapport van de Raad blijkt dat de moeder ongepland zwanger is geraakt en dat zij de zwangerschap pas na 20 weken heeft ontdekt. De moeder is afkomstig uit [geboorteland01] en verblijft daar regelmatig. Zij komt steeds gedurende enkele maanden naar Nederland om te werken via een uitzendbureau die ook haar woonruimte regelt. Toen de moeder haar zwangerschap ontdekte, is zij in een korte tijd haar werk en woonruimte kwijtgeraakt. 4.3 Tijdens en na de bevalling heeft moeder herhaaldelijk aangegeven dat zij de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige01] niet wil en niet kan dragen. Zij heeft bewust de keuze gemaakt om [minderjarige01] af te staan voor adoptie. De moeder heeft volgens de Raad aangegeven dat zij weet wie de biologische vader van [minderjarige01] is, maar dat zij weigert om zijn gegevens te delen. De moeder heeft bovendien het bestaan van [minderjarige01] geheimgehouden voor haar ouders en dochter die in [geboorteland01] wonen. [minderjarige01] is na zijn geboorte in een crisispleeggezin geplaatst en sinds 15 oktober 2022 verblijft hij bij zijn aspirant-adoptiefouders. Gebleken is dat [minderjarige01] zich goed ontwikkelt. 4.4 Vanaf september 2022 is de moeder buiten beeld geraakt en enige tijd onbereikbaar geweest voor de GI, de Raad en [stichting01] . Volgens de GI houdt de moeder die contacten af. De moeder heeft ook geen vragen en wil geen informatie over [minderjarige01] ontvangen. Zodoende lijkt zij de situatie voor zichzelf dragelijk te maken en zichzelf ervoor af te sluiten en te beschermen. 4.5 De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat de moeder onvoldoende beschikbaar en in staat moet worden geacht om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige01] . Omdat de moeder niet voor [minderjarige01] wil en kan zorgen terwijl [minderjarige01] vanwege zijn jonge leeftijd volledig afhankelijk is van zijn verzorger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.