RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/311079-21 vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Lelystad raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 januari 2023, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Firmerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: samen met anderen een woningoverval heeft gepleegd, althans heeft geprobeerd te plegen, waarbij met gebruikmaking van vuurwapens geweld is toegepast en met geweld is bedreigd jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een tas met inhoud is buit gemaakt; feit 2: samen met anderen twee vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden allen integraal verantwoordelijk gehouden voor de woningoverval. Er is sprake van medeplegen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de verklaringen van verdachte en de medeverdachten, de getuigenverklaringen van de buurtbewoners, het NFI-rapport inzake het DNA-onderzoek aan de bivakmuts, de bevindingen aangaande de camerabeelden van de overval en bevindingen van de politieagenten die ter plaatse zijn geweest en die de verdachten, de tas en vuurwapens hebben aangetroffen. Tevens kan naar de mening van de officier van justitie feit 2 worden bewezen, gelet op voornoemde stukken en het proces-verbaal van bevindingen inzake het onderzoek aan de vuurwapens en de bijbehorende munitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging In de visie van de raadsvrouw kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen van feit 1 primair en subsidiair. Verdachte is weliswaar betrokken geweest bij het feit, maar het verwijt van plegen dan wel van medeplegen kan hem niet worden gemaakt. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Daartoe ontbreekt het opzet op de diefstal, alsmede de opzet op de samenwerking. Verdachte had immers wel het idee dat er iets zou gaan gebeuren, dat iemand onder druk zou moeten worden gezet of bedreigd zou moeten worden, maar niet dat het de bedoeling was om met geweld iets te stelen. Verdachte zou daarnaast geen rol van betekenis hebben vervuld, waardoor zijn bijdrage aan het delict niet van voldoende gewicht is geweest om medeplegen aan te nemen. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht verdachte vrij te spreken. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Verdachte heeft de wapens zelf niet gebruikt of bij zich gehad. Evenmin heeft hij de beschikkingsmacht gehad over de wapens, nu deze in het bezit ‒ in de kleding of in de handen ‒ waren van de medeverdachten en voor verdachte dus niet voor het grijpen zijn geweest. De voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan niet worden aangenomen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs feit 1 De feiten en omstandigheden Uit de genoemde bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid. Voorafgaand aan de overval werd met de verdachten de afspraak gemaakt dat zij in de nacht van 16 op 17 november 2021 in Zwolle, al dan niet vanuit de verblijfslocatie van [medeverdachte 1] , door een auto met chauffeur zouden worden opgehaald. De verdachten zijn toen in die auto gestapt en samen in het holst van de nacht naar Bergen op Zoom gereden. Een reisafstand van ongeveer 200 kilometer. Volgens [medeverdachte 1] werd in de auto expliciet besproken dat zij in Bergen op Zoom een overval gingen plegen en werd bepaald wie naar de man zou toegaan en wie de vrouw zou benaderen. Verdachte en [medeverdachte 2] beweren dat dit niet nadrukkelijk is besproken. Er volgden in elk geval instructies. Zo werd (ook) de afspraak gemaakt dat de auto met bestuurder zou blijven wachten tot na de overval en als vluchtauto zou dienen. Daarnaast werden onderweg spullen uitgedeeld, waaronder tie-wraps, ducttape en twee vuurwapens. Uit de verklaringen van de verdachten is gebleken dat zij alle drie minimaal één van deze vuurwapens hebben gezien. Dit ging om een zilverkleurige revolver en een zwart pistool. [medeverdachte 2] zegt dat hij één van de wapens in zijn handen gedrukt kreeg. Verder is vast komen te staan dat de verdachten allemaal donkere kleding, werkhandschoenen en gezichtsbedekking (een mondmasker of een bivakmuts) droegen; tenminste tijdens de uitvoering van de beroving. Bij de woning van de familie [slachtoffer 1] in Bergen op Zoom aangekomen, klommen de verdachten over het hekwerk in de voortuin en wachtten zij daar gezamenlijk één of twee uur de bewoners op. Zij hielden zich schuil achter een tuinhuisje. Omstreeks 07.30 uur verlieten de bewoners [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hun woning om naar hun werk te gaan, en werden zij door de verdachten belaagd. Daarbij werd [slachtoffer 1] door één van de verdachten met het zwartkleurig vuurwapen (een pistool) bedreigd en tegen zijn hoofd geslagen. Een andere verdachte had [slachtoffer 2] met het zilverkleurig vuurwapen (een revolver) bedreigd en had ook een hand voor haar mond gehouden. De tas die [slachtoffer 1] bij zich droeg, met daarin een portefeuille en een geldbedrag van € 500,00 à € 600,00, werd door de verdachten buitgemaakt. Is er sprake van medeplegen? Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarin ligt besloten dat verdachte het opzet heeft gehad op zowel de samenwerking als op het gronddelict. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechtbank heeft daartoe in deze zaak de gezamenlijke voorbereidingen in combinatie met de gezamenlijke uitvoering in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat de instructies die zijn gegeven, de aard van de voorwerpen die zijn uitgedeeld en de donkerkleurige en vermommende kleding die is aangetrokken zonder enige twijfel duiden op een gezamenlijk plan, een gezamenlijke intentie om een overval te plegen, waarbij is geanticipeerd op mogelijk gebruik van geweld of bedreiging met geweld. Dit moet ook voor verdachte en [medeverdachte 2] glashelder zijn geweest. In dit verband is meegewogen dat zij midden in de nacht op pad zijn gegaan en dat het adres van de aangevers niet willekeurig en onvoorbedacht is bezocht, maar weloverwogen is uitgekozen (door vermoedelijk de opdrachtgever van de verdachten). De grote afstand van Zwolle naar Bergen op Zoom wijst hierop, evenals de omstandigheid dat de verdachten blijkens hun relaas rechtstreeks naar die woning zijn gereden. De verdachten hebben alle drie erkend dat zij een aandeel in de gezamenlijke uitvoering van de overval hebben gehad. Zij verklaren echter niet eenduidig over hun precieze rol en die rolverdeling is op basis van de beschikbare stukken door de rechtbank ook niet te reconstrueren. Met name is onduidelijk gebleven wie van de verdachten welke uitvoeringshandeling van bedreiging of geweld heeft verricht. In dit licht is volgens vaste jurisprudentie voor medeplegen niet vereist dat de deelnemers eenzelfde rol hebben vervuld, dezelfde soort handelingen hebben verricht tijdens de uitvoering van het delict of op de hoogte zijn geweest van elkaars exacte gedragingen. De rechtbank acht de bijdrage van de verdachten aan zowel het gezamenlijk plan als aan de gezamenlijke uitvoering van voldoende gewicht om uit te gaan van een nauwe en bewuste samenwerking. Zij komt dan ook tot de tussenconclusie dat sprake is van medeplegen. Dit brengt met zich dat aan iedere verdachte de in de bewezenverklaring vermelde uitvoeringshandelingen kunnen worden toegerekend. Zij kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen van een medeverdachte. Conclusie De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het primair tenlastegelegde, de voltooide diefstal met geweld en bedreiging met geweld, wettig en overtuigend kan worden bewezen. feit 2 Voortbordurend op het eerste feit kan naar het oordeel van de rechtbank ook wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten het zwarte pistool en de zilverkleurige revolver inclusief munitie, die bij de overval zijn gebruikt, voorhanden heeft gehad op het moment dat zij afreisden naar Bergen op Zoom. In de auto zijn immers de vuurwapens getoond en uitgedeeld met het oog op de te plegen overval. Het kan daarom niet anders zijn dan dat alle vier inzittenden de wetenschap van de aanwezigheid van de twee vuurwapens en de daarbij behorende kogelpatronen hebben gehad. Daarbij komt dat zij allen de beschikkingsmacht over deze wapens en munitie hebben gehad, nu zij zich samen in een beperkte, kleine ruimte bevonden in de directe nabijheid van de goederen. Ook hier is dus het medeplegen aan de orde. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair: op 17 november 2021 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met andereneen tas (merk Louis Vuitton, inhoudende o.a. een portefeuille merkLouis Vuitton en een hoeveelheid geld) toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstalwerd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ofgemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en hiermee te dreigen en hiermee die [slachtoffer 1] tegen het hoofd te slaan en door die [slachtoffer 2] eenvuurwapen te tonen en hiermee te dreigen en dreigend een hand voor de mond van die te houden; feit 2: op 17 november 2021 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen in de vorm van een pistool (merk Ekol, model Gediz,kaliber 9 mm kort, ook .380 Auto genoemd, zijnde een gaspistool, datomgebouwd is tot een scherp schietend pistool) en - een vuurwapen in de vorm van een revolver (merk Bruni, modelOlympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een alarmrevolver, die omgebouwd is toteen scherp schietende revolver) en munitie van categorie van categorie III, te weten acht randvuurkogelpatronen kaliber .22 Long Rifle en 5 centraalvuur kogelpatronenkaliber 9 mm kort voorhandenheeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van voorarrest, met name rekening houdend met de strafvorderingsrichtlijnen, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, als een straf volgt die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Hieraan kunnen de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Verdachte realiseert zich immers dat hij hulp nodig heeft en acht dit zelf ook wenselijk. De raadsvrouw maakt geen bezwaar tegen toepassing van het volwassenstrafrecht, maar vraagt wel de jong volwassen leeftijd van verdachte in aanmerking te nemen. Tevens wijst zij op de beperkte rol van verdachte. Voor een contact- of locatieverbod wordt geen aanleiding gezien, nu de aangevers van verdachte niets meer te duchten hebben. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Verdachte heeft zich op 17 november 2021 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende woningoverval in Bergen op Zoom. Verdachte en de medeverdachten legden samen maar liefst 200 kilometer af, van Zwolle naar Bergen op Zoom, om deze overval te plegen. Zij wachtten in de vroege ochtend de twee slachtoffers op in hun voortuin en belaagden de slachtoffers toen die nietsvermoedend in hun auto stapten of wilden stappen om naar hun werk te gaan. De verdachten deinsden er niet voor terug om geweld tegen de slachtoffers te gebruiken en ze met vuurwapens te bedreigen. [slachtoffer 1] werd onder schot gehouden met een vuurwapen en werd daarmee even later diverse malen op het hoofd geslagen. Zijn echtgenote, [slachtoffer 2] , werd eveneens bedreigd met een vuurwapen en er werd een hand voor haar mond gehouden. Doordat [slachtoffer 1] snel begon te schreeuwen en wist te ontkomen aan zijn belager, namen ook de andere verdachten uiteindelijk de benen. Hun vluchtauto bleek te zijn verdwenen. Dankzij het dappere optreden van buurtbewoners en een bouwvakker die in de omgeving aan het werk was, kon [medeverdachte 2] al snel worden overmeesterd. Met behulp van een speurhond zijn daarna ook [medeverdachte 1] en verdachte door de politie in de kraag gevat. Zij hadden zich verstopt in, respectievelijk, de bosschages en in een kliko in nabijgelegen tuinen. Deze gebeurtenis had nog slechter kunnen aflopen, nu uit het dossier kan worden opgemaakt dat het de bedoeling is geweest om de slachtoffers onder dwang naar binnen te begeleiden, zodat de verdachten daar nog meer kostbare spullen of geld konden wegnemen. De verdachten hadden voor de uitvoering van dat scenario ook nog geprepareerde tie-wraps en ducttape meegenomen. De rechtbank acht dit feit bijzonder ernstig. Feiten als de onderhavige kenmerken zich doordat zij een ernstige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in en rond hun woning. Wat voor verdachte kennelijk een klusje is geweest waarmee snel geld kon worden verdiend, is voor de slachtoffers een angstaanjagende, dramatische gebeurtenis geweest die hun waarschijnlijk nog lange tijd zal blijven achtervolgen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] , die hij ter zitting heeft voorgedragen, volgt dat hij door de flinke klappen die hij op zijn hoofd heeft gekregen maandenlang hoofdpijn heeft ondervonden en soms nog last heeft van concentratieproblemen en prikkelbaarheid. Hij heeft tevens littekens aan die mishandeling op zijn hoofd overgehouden. Bovendien ervaren [slachtoffer 1] en zijn gezin nog altijd gevoelens van angst en onveiligheid als zij hun huis verlaten of bij hun huis aankomen. Het voorval heeft hun leven totaal veranderd. Het behoeft geen betoog dat ook de samenleving door deze beroving, die met zoveel geweld en intimidatie gepaard is gegaan, zeer geschokt is. Voorts is verdachte schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van de bij de overval gebruikte vuurwapens en de zich daarin bevindende munitie. Ook dit feit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De persoonlijke omstandigheden De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten, waaronder ook diefstal met geweld. Over de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zijn verschillende rapportages uitgebracht. Zo heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van [psycholoog] van 4 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.