RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/032775- 23 vonnis van de meervoudige kamer van 26 mei 2023 in de strafzaak tegen [verdachte01] geboren op [geboortedatum01] 2002 te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) wonende [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] raadsvrouw mr. S. van Eekelen, advocaat te Tilburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 mei 2023, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 februari 2023 te Tilburg geprobeerd heeft om [slachtoffer01] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft om zijn broer [slachtoffer01] te doden, zoals impliciet primair ten laste is gelegd. Hij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant01] en de verklaring van [getuige01] . Op basis van deze bewijsmiddelen staat voor de officier van justitie vast dat verdachte met aanzienlijke kracht tegen het hoofd van zijn broer heeft geschopt. Hoewel de officier van justitie ervan uitgaat dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad om zijn broer te doden, heeft hij door deze handeling wel de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat zijn broer zou komen te overlijden. De officier van justitie is dan ook van mening dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. De handeling die onder het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging staat opgenomen, het met het hoofd tegen een personenauto aanslaan, levert naar de mening van officier van justitie geen poging tot doodslag op. Verdachte dient van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hoewel bewezen kan worden verklaard dat verdachte zijn broer met kracht tegen de politieauto heeft geslagen en hem vervolgens eenmaal tegen het hoofd en eenmaal tegen het lijf heeft geschopt, is niet vast te stellen dat door deze geweldshandelingen de aanmerkelijke kans bestond op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Daartoe wijst de verdediging erop dat onduidelijk is gebleven óf verdachte op dat moment schoenen droeg en zo ja welke schoenen, op welk deel van het hoofd zijn broer werd geraakt en met welke kracht er is geschopt. De verdediging komt dan ook tot de conclusie dat verdachte integraal van het feit dient te worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat twee politieambtenaren op 1 februari 2023 de melding kregen om naar [adres02] te Tilburg te gaan. Daar aangekomen, liepen de broers [slachtoffer01] en verdachte naar de politieauto toe. Verdachte nam een kleine aanloop, pakte het hoofd van zijn broer vast en sloeg deze met kracht en snelheid tegen de politieauto. Zijn broer viel hierdoor op de grond. Vervolgens bewoog verdachte met zijn been naar achteren en schopte met geschoeide voet met kracht en snelheid tegen het hoofd van zijn broer. Hierdoor werd het hoofd van zijn broer de andere kant op bewogen. Direct hierna begon zijn broer met heel zijn lichaam te schokken. Daarnaast kwam er bloed uit zijn mond, stond een aantal tanden scheef in zijn mond en had hij een grote blauwe plek links op zijn hoofd. De vraag die moet worden beantwoord is of dit handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag (impliciet primair) of een poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair). Daartoe moet worden vastgesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van zijn broer of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn broer. Poging tot doodslag Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had om zijn broer te doden. Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op het gevolg van zijn handelen. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte het hoofd van zijn broer tegen de politieauto heeft geslagen en, terwijl zijn broer op de grond lag, eenmaal tegen het hoofd van zijn broer heeft geschopt. Onder bepaalde omstandigheden kunnen slaan en schoppen tegen het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Daarvoor is onder andere van belang de aard en intensiteit van het slaan en schoppen, de plaats waar het slachtoffer op zijn hoofd is geraakt en, voor wat betreft het schoppen tegen het hoofd, wat voor soort schoenen verdachte aan had. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen met welke kracht verdachte het hoofd van zijn broer tegen de politieauto heeft geslagen, met welk deel het hoofd van zijn broer de politieauto heeft geraakt, met welke kracht hij tegen het hoofd van zijn broer heeft geschopt, wat voor soort schoenen verdachte op dat moment droeg en waar zijn broer op zijn hoofd door verdachte is geraakt. Door het ontbreken van een letselbeschrijving door een (forensisch) arts is ook onduidelijk gebleven welke (fysieke) gevolgen deze geweldshandelingen voor zijn broer hebben gehad. ‘Enkel’ is komen vast te staan dat hierdoor bloed uit zijn mond kwam, een aantal tanden scheef in zijn mond stonden, hij een grote blauwe plek op zijn hoofd had en dat hij met heel zijn lichaam begon te schokken. Gelet op voornoemde onduidelijkheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat zijn broer zou komen te overlijden. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Poging tot zware mishandeling De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om zijn broer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook van vol opzet daarop is hierbij niet gebleken. Door het hoofd van zijn broer tegen de politieauto te slaan en, terwijl zijn broer op de grond lag, eenmaal tegen het hoofd van zijn broer te schoppen. bestond naar het oordeel van de rechtbank wel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Gelet op het door de politie beschreven (en gefotografeerde) letsel aan het hoofd van zijn broer en het schokken van zijn lichaam, moeten deze geweldshandelingen met behoorlijke kracht zijn uitgevoerd. De kans dat iemand hierdoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De handelingen van verdachte moeten qua uiterlijke verschijningsvorm ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest aangezien kan worden vastgesteld dat het slaan en schoppen op het hoofd van zijn broer waren gericht. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn broer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 februari 2023 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer01] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - voornoemde [slachtoffer01] bij het hoofd heeft vastgepakt en vervolgens het hoofd van die [slachtoffer01] met kracht tegen een personenauto, aan heeft geslagen en vervolgens - eenmaal, met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van die [slachtoffer01] aan heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 214 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De officier van justitie is er bij deze vordering van uitgegaan dat verdachte 36 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis in het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren mocht verrichten. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met het feit dat verdachte geen relevant strafblad heeft en er een positief reclasseringsrapport over hem is geschreven. In dit rapport staat vermeld dat het incident is ingegeven door een groot verantwoordelijkheidsgevoel van verdachte richting zijn broer. Vermoed wordt dat het incident voortkomt uit een langere tijd van overvraging van verdachte. Verdachte heeft verder geen pro-criminele houding en staat open voor alle hulp om een delict-vrij bestaan op te bouwen in Nederland. Hij heeft spijt van hetgeen is gebeurd. Gelet hierop ziet de verdediging, samen met de reclassering, contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf. Een gevangenisstraf zal de op gang gekomen begeleiding aan verdachte ook doorkruisen. De verdediging is van mening dat er moet worden ingezet op hulp en begeleiding. Daarom verzoekt de verdediging om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Verdachte is bereid om zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft geprobeerd om zijn broer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hieraan voorafgaand hadden verdachte en zijn broer een woordenwisseling. Zijn broer wilde naar buiten gaan, terwijl verdachte wilde dat hij binnen bleef omdat hij bang was dat zijn broer buiten met slechte mensen zou omgaan. Zijn broer ging toch naar buiten. Ook had zijn broer de politie gebeld. Buiten aangekomen, stond er een politieauto voor de deur. Verdachte werd toen heel boos. Hij heeft het hoofd van zijn broer vastgepakt en tegen de politieauto geslagen en, terwijl zijn broer op de grond lag, eenmaal tegen zijn hoofd geschopt. Het spreekt voor zich dat dit niet de manier is waarop een woordenwisseling moet worden opgelost. Verdachte had hierbij geen fysiek geweld mogen gebruiken. Door het uitgeoefende geweld had het voor zijn broer veel slechter kunnen aflopen dan nu het geval lijkt te zijn geweest. De rechtbank neemt het verdachte dan ook zeer kwalijk dat hij op deze manier heeft gehandeld. Zijn broer heeft overigens geen aangifte willen doen. Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte. Verdachte heeft enkel een geldboete gehad voor een verkeersovertreding. Hij is niet eerder voor een geweldsdelict met politie of justitie in aanraking geweest. Ook houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het rapport van de reclassering van 12 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.