beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/399435 / FA RK 22-3073 Datum uitspraak: 1 juni 2023 Beschikking van de rechtbank over vaststelling hoofdverblijf en wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man01] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats01] , advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda, tegen [de vrouw01] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats02] , advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda, over de minderjarigen: - [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2010 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [minderjarige01] ; - [minderjarige02] , geboren op [geboortedatum02] 2012 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [minderjarige02] , hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt: - STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling). Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: het op 13 juli 2022 ingekomen verzoekschrift, met producties; het F9-formulier van 28 juli 2022 van mr. Koop-van Vliet, met productie; het rapport en advies van 7 april 2023 van de Raad; het verweerschrift van 17 mei 2023, met productie; het F9-formulier van 19 mei 2023 van mr. Koop-van Vliet, met producties; het gewijzigde/aanvullende verzoekschrift van 22 mei 2023 van mr. Koop-van Vliet, met productie. 1.2 Op 23 mei 2023 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen (zaaknummer: C/02/408585 / JE RK 23-643). In die zaak heeft de kinderrechter bij afzonderlijke beschikking beslist. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord: de man, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet; de vrouw, bijgestaan door mr. Groenhuis-Kools; een vertegenwoordigster namens de Raad; een vertegenwoordigster namens de GI. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [scheidingsdatum] is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. 2.2 Voorafgaand aan het huwelijk van partijen is [minderjarige01] geboren. [minderjarige02] is tijdens het huwelijk van partijen geboren. 2.3 De man heeft [minderjarige01] erkend. 2.4 Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.5 Partijen hebben afspraken gemaakt over de gevolgen van hun echtscheiding. Deze afspraken zijn neergelegd in het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 14 juni 2019, wat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van [scheidingsdatum] . In het ouderschapsplan zijn partijen, voor zover hier van belang, het navolgende overeengekomen: De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw (artikel 2); Partijen zijn een co-ouderschapsregeling overeengekomen waarbij de minderjarigen week op week af bij man en bij de vrouw verblijven. In de oneven weken verblijven zij bij man en in de even bij de vrouw. Het wisselmoment zal plaatsvinden op zondag waarbij de minderjarigen om 19.00 uur naar de betreffende ouder worden gebracht. Verder spraken partijen af dat indien en voor zover bestaande co-ouderschapsregeling door de man niet valt te bewerkstelligen, dan wel dat de co-ouderschapsregeling niet in het belang is van de minderjarigen de omgang zal worden gewijzigd in die zin dat de minderjarigen doordeweeks, van maandag tot en met vrijdag, bij de vrouw verblijven en zij ieder weekend, zaterdag en zondag bij de man verblijven. De ouder bij wie de minderjarigen het laatst verbleven, brengt hen naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden. Eventuele extra omgangsmomenten zullen in goed onderling overleg tussen partijen worden afgestemd (artikel 3.1). 2.6 Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 27 juli 2022 is bepaald dat de vrouw en de minderjarigen gerechtigd zijn tot het hebben van contact, samengevat, elke woensdag na school (12.00 uur) tot 17.00 uur. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter aan de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten, te rapporteren en te adviseren over, samengevat, het gezag, het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarigen. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn; II. onder veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, voor wat betreft de kosten van de raadsvrouwe tot en met het indienen van onderhavig processtuk bedragende € 2.500,-- aan advocaatkosten; en Bij wijze van voorwaardelijk verzoek: III. te bepalen dat, in afwachting van het onderzoek en advies van de Raad, de bij beschikking van deze rechtbank van [scheidingsdatum] vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd conform een nader door de man in te dienen aanvullend verzoek, althans wordt gewijzigd als de rechtbank juist en redelijk acht; en IV. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen. Bij voormelde brief van 22 mei 2023 wordt namens de man verzocht, bij wijze van gewijzigd/aanvullend verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van deze rechtbank van 30 juli 2023 (naar de rechtbank begrijpt: 30 juli 2021) vastgestelde zorgregeling te wijzigen ten aanzien van [minderjarige01] in die zin dat de vrouw het recht op contact en/of omgang met [minderjarige01] wordt ontzegd en ten aanzien van [minderjarige02] in die zin dat de vrouw om de week op zaterdag van 12:00 uur tot 16:00 uur contact en/of omgang kan hebben in de woning van de moeder van de vrouw, althans de bij voormelde beschikking vastgestelde zorgregeling te wijzigen in een zorgregeling als de rechtbank juist en redelijk acht. 3.2 De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen dan wel de beslissing daarop aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. 3.3 Op de standpunten van partijen en het advies van de Raad en de GI wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Bij voormeld vonnis in kort geding van 27 juli 2022 is de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten, te rapporteren en te adviseren over, samengevat, het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarigen. In afwachting daarvan, is de beslissing op de verzoeken in deze zaak pro forma aangehouden. 4.2. Naar aanleiding van het onderzoek dat de Raad in deze zaak heeft verricht, heeft de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen ingediend bij de kinderrechter. Daarnaast heeft de Raad in voormeld rapport van 7 april 2023 en tijdens de nadere mondelinge behandeling geadviseerd om de beslissing over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarigen pro forma aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van het verloop en het resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Hoewel het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw is gelegen, verblijven de minderjarigen vanaf mei 2022 feitelijk bij de man. Hoewel de Raad de wens van de man begrijpt om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, vindt de Raad het noodzakelijk dat er eerst hulpverlening wordt ingezet (vanuit [hulpverlener01] ) gericht op verbetering van de onderlinge (ouder)communicatie tussen partijen en contact(herstel) tussen de vrouw en de minderjarigen. Daarbij dient te worden bezien of wijziging van het hoofdverblijf in het belang van de minderjarigen is. Daarnaast adviseert de Raad om de regie over het traject dat is gericht op contact(herstel) tussen de vrouw en de minderjarigen bij de GI te beleggen. De Raad heeft ten slotte aangegeven dat hij, overeenkomstig het verzoek tot onderzoek zoals vermeld in voormeld vonnis in kort geding, ook onderzoek heeft verricht naar de noodzaak tot wijziging van het gezag over de minderjarigen. Aangezien dit onderwerp in deze procedure niet voorligt, heeft de Raad zijn advies voor zover dat ziet op het gezag ingetrokken. 4.3 [minderjarige01] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat de moeder en haar partner vaak ruzie hadden en dat de moeder vaak hard was tegen zijn halfzusje [naam01] . Volgens [minderjarige01] heeft de moeder daarnaast een keer aangegeven dat zij blauwe plekken had omdat zij was geslagen door haar partner. Toen [minderjarige01] dat doorvertelde, heeft de moeder aangegeven dat hij loog. Omdat de moeder haar beloftes niet nakomt, wil [minderjarige01] voorlopig geen contact met haar. [minderjarige01] wil haar echter niet vergeten. [minderjarige01] begrijpt ook niet waarom de moeder geen toestemming (meer) geeft voor zijn inschrijving op de middelbare school. Nu [minderjarige01] volledig bij de vader verblijft, gaat het thuis en op school goed met hem. [minderjarige01] heeft ten slotte aangegeven dat hij de huidige partner van de vader steeds meer als zijn moeder ziet. 4.4 [minderjarige02] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat zij wel goede herinneringen heeft aan de moeder, maar dat de moeder de laatste tijd vaak boos was. [minderjarige02] stelt dat de moeder [naam01] heeft geduwd en geslagen. Toen [minderjarige02] hierover vertelde, heeft de moeder aangegeven dat zij loog. [minderjarige02] is het vertrouwen in de moeder verloren. [minderjarige02] wil ook geen contact meer met de moeder, maar durft dat zelf niet aan te geven. 4.5 Namens en door de man is, samengevat, aangevoerd dat de minderjarigen al langere tijd feitelijk volledig bij hem verblijven. De minderjarigen hebben al veel meegemaakt en bovenal behoefte aan rust. Ook valt volgens de man niet te verwachten dat er in de komende periode effectief zal worden ingezet op herstel en vervolgens uitbreiding van de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen. De man verzoekt daarom om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, de vrouw het recht op het hebben van contact met [minderjarige01] te ontzeggen en om een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige02] vast te stellen op basis waarvan zij om de week op zaterdag gedurende een aantal uren contact met elkaar hebben in de woning van de moeder van de vrouw, althans dat in de komende periode met inzet van de hulpverlening de mogelijkheden voor contact(herstel) tussen de vrouw en [minderjarige02] worden bezien. 4.6 Namens en door de vrouw is, samengevat, aangevoerd dat het mogelijk op korte termijn in het belang van de minderjarigen moet worden geacht om hen rust te bieden, maar dat de zorgen over hen op de lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.