RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/408585 / JE RK 23-643 Datum uitspraak: 1 juni 2023 Beschikking van de kinderrechter over ondertoezichtstelling in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over de minderjarigen: [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2010 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [minderjarige01] , [minderjarige02] , geboren op [geboortedatum02] 2012 te [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [minderjarige02] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader01] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats01] , advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda, [de moeder01] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats02] , advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda. De kinderrechter merkt als informant aan: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling). Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het verzoek met bijlagen van de Raad van 7 april 2023, ingekomen bij de griffie op 7 april 2023; het F9-formulier van 19 mei 2023 van mr. Koop-van Vliet, met producties; de brief van 22 mei 2023 van mr. Koop-van Vliet, met productie. Op 16 mei 2023 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, mondeling behandeld, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het verzoek van de vader tot vaststelling hoofdverblijf en wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken (zaaknummer: C/02/399435 / FA RK 22-3073). Tijdens die mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet; de moeder, bijgestaan door mr. Groenhuis-Kools; een vertegenwoordigster namens de Raad; een vertegenwoordigster namens de GI. De feiten De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] en [minderjarige02] . [minderjarige01] en [minderjarige02] wonen bij de vader. Het verzoek De Raad verzoekt om [minderjarige01] en [minderjarige02] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De onderbouwing van het verzoek Namens de Raad is ter onderbouwing van het verzoek in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, aangevoerd dat de minderjarigen worden belast door de echtscheidingsstrijd tussen de ouders. De ouders verschillen van mening over wat er in mei 2022 bij de moeder thuis is gebeurd, met als gevolg dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap destijds abrupt is geëindigd. Volgens de vader zijn de minderjarigen meermaals getuigen geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar huidige partner. De moeder erkent weliswaar dat zij ruzie heeft gehad met haar partner, maar stelt dat zij diezelfde avond nog een en ander met elkaar en met de minderjarigen hebben uitgesproken. Voor de Raad is het onduidelijk in hoeverre de minderjarigen daadwerkelijk onveiligheid hebben ervaren. Doordat het de ouders, ondanks betrokkenheid vanuit het CJG, niet lukt om het conflict tussen hen weg te nemen en samen afspraken te maken over het contact(herstel) tussen de moeder en de minderjarigen, is het contact tussen de moeder en de minderjarigen sindsdien spanningsvol verlopen. Daarnaast is het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen verkeren inmiddels dusdanig verergerd dat beide minderjarigen hebben aangegeven dat zij geen contact meer willen met hun moeder. Gelet hierop worden de minderjarigen, naar de mening van de Raad, ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlener01] heeft bij de Raad aangegeven dat zij behoefte heeft aan kaders voor het verder uitzetten van het hulpverleningstraject. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen dient de GI dan ook de regie te voeren over de hulpverlening en daarbij de nodige kaders te bieden. Als reactie op de vraag van de vader wat hij nog meer kan doen om de situatie van de minderjarigen te verbeteren, stelt de Raad dat hij met de moeder in gesprek moet blijven, ook al is hij de situatie beu. Hoe kan er immers van de minderjarigen worden verwacht dat zij contact hebben met hun moeder terwijl de ouders niet eens met elkaar praten. De standpunten [minderjarige01] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat de moeder en haar partner vaak ruzie hadden en dat de moeder vaak hard was tegen zijn halfzusje [naam01] . Volgens [minderjarige01] heeft de moeder daarnaast een keer aangegeven dat zij blauwe plekken had omdat zij was geslagen door haar partner. Toen [minderjarige01] dat doorvertelde, heeft de moeder echter aangegeven dat hij loog. Omdat de moeder haar beloftes niet nakomt, wil [minderjarige01] voorlopig geen contact met haar. [minderjarige01] wil haar echter niet vergeten. [minderjarige01] begrijpt ook niet waarom de moeder geen toestemming (meer) geeft voor zijn inschrijving op de middelbare school. Nu [minderjarige01] volledig bij de vader verblijft, gaat het thuis en op school goed met hem. [minderjarige01] heeft ten slotte aangegeven dat hij de huidige partner van de vader steeds meer als zijn moeder ziet. [minderjarige02] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat zij wel goede herinneringen heeft aan de moeder, maar dat de moeder de laatste tijd vaak boos was. [minderjarige02] stelt dat de moeder [naam01] heeft geduwd en geslagen. Toen [minderjarige02] hierover vertelde, heeft de moeder aangegeven dat zij loog. [minderjarige02] is het vertrouwen in de moeder verloren. [minderjarige02] wil ook geen contact meer met de moeder, maar durft dat zelf niet aan te geven. Namens en door de vader is afwijzing van het verzoek bepleit. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat de zorgen over de echtscheidingsstrijd en de gebrekkige communicatie en samenwerking tussen de ouders, ondanks dat er meerdere vormen van hulpverlening zijn ingezet, al jarenlang aanwezig zijn. De minderjarigen hebben al veel meegemaakt en ze hebben bovenal behoefte aan rust. Wanneer de minderjarigen met rust gelaten worden, is er volgens de vader geen sprake van een ernstige bedreiging in hun ontwikkeling. Ook valt niet te verwachten dat er de komende periode effectief zal kunnen worden ingezet op herstel en vervolgens uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de minderjarigen. De vader vraagt zich dan ook af wat er van hem wordt verwacht nu beide minderjarigen duidelijk aangeven dat zij geen contact willen met de moeder. Het inzetten van gedwongen hulpverlening heeft naar de mening van de vader bovendien geen meerwaarde omdat de GI geen vaste jeugdzorgwerker beschikbaar heeft en zij niet weet op welke termijn er wel een vaste jeugdzorgwerker zou kunnen worden aangesteld. De vader acht het daarom niet in het belang van de minderjarigen om nu middels een ondertoezichtstelling in te zetten op contact(herstel) met de moeder, waarbij de minderjarigen zullen worden geconfronteerd met veel spanningen en onduidelijkheid, om uiteindelijk na een aantal jaren te moeten concluderen dat de hulpverlening voor niets is geweest. Hoewel de vader niet langer zijn medewerking wenst te verlenen aan hulpverlening gericht op verbetering van de communicatie en samenwerking tussen de ouders, zal hij de noodzakelijke hulpverlening voor de minderjarigen blijven accepteren. De vader vindt het belangrijk om het net gestarte traject bij [hulpverlener01] een kans te geven. Namens en door de moeder is, samengevat, aangegeven dat zij instemt met een ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de verzochte duur van een jaar. De moeder stelt dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd vanwege de zeer slechte verstandhouding tussen de ouders, het ontbreken van contact tussen de moeder en de minderjarigen en omdat de vader niet met de moeder in gesprek wil om de zorgen over de minderjarigen weg te nemen. Hoewel het mogelijk op korte termijn in het belang van de minderjarigen moet worden geacht om hen rust te bieden, worden de zorgen over hen op de lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.