← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:3857

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/5173 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2023 in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster (gemachtigde: mr. D.A.C. Schreuder), en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Procesverloop In het besluit van 3 maart 2022 heeft verweerder het recht op compensatie van een transitievergoeding vastgesteld op € 0,-. In het besluit van 3 juni 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en de compensatie van de transitievergoeding op €0,- laten staan. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het besluit van 23 december 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten hij het recht op compensatie in verband met een transitievergoeding heeft vastgesteld op een bedrag van € 49.490,87. Daarbij heeft verweerder besloten proceskosten en griffierecht in bezwaar en beroep tot een hoogte van in totaal €1.660,- te vergoeden . Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase en de beroepsfase toegekend, alsmede een vergoeding van het griffierecht. Verzoekster verzoekt nog om toekenning van € 39,55 aan verschotten en het griffierecht. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder heeft immers al besloten de proceskosten van verzoekster te vergoeden. Voor wat betreft de verschotten geldt het volgende. Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Verschotten komen alleen in aanmerking als het om kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken gaat. Verzoeker heeft de verschotten niet duidelijk onderbouwd. Verzoekster heeft bij het verzoek uittreksels uit de kamer van koophandel en een akte van statutenwijziging gevoegd. Daaruit blijkt niet of die door haarzelf zijn opgevraagd en welke kosten daaraan zijn verbonden. Dat betekent dat de rechtbank geen vergoeding voor deze kosten kan toekennen. Daarnaast zijn nota’s bijgevoegd van het aangetekend verzenden van poststukken binnen Nederland. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. De rechtbank wijst erop dat verweerder al heeft besloten om deze kosten aan verzoekster te vergoeden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. R.J. Wesel, griffier, op 5 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.