RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Locatie Middelburg parketnummer: 02-285634-21 rk.nummer: 22-007982 Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , hierna te noemen: klager. Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van zijn bewindvoerder mr. B.J. van de Wijnckel , op het adres 4531 EP Terneuzen, Markt 12 . 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: het klaagschrift, ingediend op 14 april 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), betreffende een op grond van artikel 94a Sv gelegd beslag op een onroerende zaak, te weten de woning gelegen aan het [adres] ; het standpunt van de officier van justitie; en de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer. Het klaagschrift is behandeld door de meervoudige raadkamer op 12 januari 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. R.C.P. Rammeloo, klager en mr. B.J. van de Wijnckel als bewindvoerder van klager. De belanghebbende, zijnde [belanghebbende] , is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. 2Het standpunt van klager Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op de woning en teruggave van de resterende executieopbrengst van de woning. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 april 2021 is de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) ten aanzien van klager uitgesproken, waardoor de woning is gaan behoren tot de WSNP-boedel. Dat er sprake zou zijn geweest van een nietige rechtshandeling ex artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waardoor de woning aan [belanghebbende] zou toebehoren, zoals de officier van justitie stelt, wordt betwist. Klager is nooit op de hoogte geweest van en ontkent ook betrokken te zijn bij enig strafbaar feit. Hij was niet op de hoogte van enige witwasconstructie door [belanghebbende] en hoefde dit ook niet redelijkerwijs te vermoeden. De woning is voor een reeële prijs aangekocht, daadwerkelijk betaald en hierdoor is er geen sprake geweest van verhaalsfrustratie. [belanghebbende] heeft alles met betrekking tot de aankoop geregeld. Hij was de financiële adviseur van de familie van klager en klager vertrouwde hem. Daarnaast kan er geen beslag worden gelegd op grond van artikel 94a, vierde lid, Sv nu de officier van justitie niet duidelijk heeft gemaakt waarom het vermoeden zou bestaan dat de woning afkomstig zou zijn van enig misdrijf of met de opbrengst van een misdrijf is gekocht. Klager heeft niets geweten van enige eventuele misdadige afkomst van de woning. Van belang is verder dat de strafzaak tegen klager is geseponeerd en de huurovereenkomst tussen klager en [bedrijf] B.V is vernietigd, waardoor deze juridisch gezien niet heeft bestaan. 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beslag op juiste wijze is gelegd. Met betrekking tot de aankoop van de woning is sprake geweest van een schijnconstructie en die behoeft niet te worden gerespecteerd, ook niet in een faillissement of WSNP. Een dergelijke schijnconstructie zoals in deze zaak het geval is, wordt als strijdig met de goede zeden gezien en daarom nietig geacht op grond van artikel 3:40 BW. Dit betekent dat de schijnconstructie met betrekking tot de woning tussen [belanghebbende] en klager nietig kan worden geacht, zodat de woning niet tot het vermogen van klager, maar feitelijk tot het vermogen van [belanghebbende] moet worden gerekend. De verkoopopbrengst van de woning, inclusief overwaarde, moet aan de staat toekomen, nu het volledige bedrag besmet is geraakt en voortvloeit uit de witwashandelingen gepleegd door [belanghebbende] , waarbij klager op zijn minst van heeft weggekeken en aldus op een andere wijze had moeten handelen. Ook al kon klager vertrouwen op [belanghebbende] , van hem had verwacht mogen worden dat hij gedurende het aankoopproces meekeek met [belanghebbende] , te meer nu er ook een valse werkgeversverklaring is gebruikt. 4De beoordeling De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift. De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of in de ontnemingszaak te geven oordeel. Op de in het klaagschrift genoemde woning rust beslag ex artikel 94a Sv. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een dergelijk beslag moet de rechter onderzoeken: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.