Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2023:428
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/4064 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2023 op het verzet van [naam opposant 1] en [naam opposant 2] , te [woonplaats opposanten] , opposanten.
Procesverloop Opposanten hebben tegen de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (de Inspectie) van 13 juli 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 22 september 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de brief van 13 juli 2022 van de Inspectie geen besluit is in de zin van de Awb en er geen beroep bij de bestuursrechter open staat.
3 Opposanten voeren tegen de uitspraak van de rechtbank – samengevat – aan dat de uitspraak van de rechtbank op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dit doordat de zaak door een enkelvoudige kamer, buiten zitting is afgedaan, maar ook doordat de uitspraak niet door de griffier is ondertekend. Opposanten menen dat de rechtbank opposanten daarmee (bewust) het recht op hoger beroep heeft ontnomen. Verder zijn opposanten van oordeel dat de beslissing van 13 juli 2022 van de Inspectie wel een besluit is in de zin van de Awb en voeren daarvoor aan dat de beslissing rechtsgevolgen heeft voor opposanten.
Mocht de enkelvoudige kamer van rechtbank zonder zitting uitspraak doen?
4.1.
Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke behandeling van het beroepschrift, dient de rechtbank eerst antwoord te geven op de vraag of de brief van de Inspectie van 13 juli 2022 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Niet is gebleken dat de zaak niet geschikt was voor beoordeling door een enkelvoudige kamer. Artikel 8:54 van de Awb biedt de bestuursrechter de mogelijkheid om op een beroep zonder zitting uitspraak te doen. Of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift, ligt thans in dit verzet voor. Deze grond slaagt niet.
Kan de uitspraak van de rechtbank stand houden omdat de uitspraak niet door de griffier is ondertekend?
5.1.
Deze grond slaagt evenmin. Artikel 8:77, derde lid, van de Awb bepaalt dat de uitspraak wordt ondertekend door de rechter en de griffier en dat bij verhindering van de rechter of de griffier dit in de uitspraak wordt vermeld. Op de uitspraak van de rechtbank van 22 september 2022 is vermeld: "De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen." Dat de handtekening van de griffier ontbreekt betekent alleen wat er is vermeld: dat de griffier verhinderd is om de uitspraak te ondertekenen. De uitspraak voldoet daarmee aan de gestelde vereisten uit artikel 8:77 van de Awb en is op de juiste wijze ondertekend.
Is er sprake van een beslissing in de zin van Awb?
De verzetrechter is met de rechtbank van oordeel dat de brief van 13 juli 2022 niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake als een bestuursorgaan een schriftelijke beslissing heeft genomen, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte actie. De beslissing zelf moet de rechtspositie van de betrokkene wijzigen en die wijziging van de rechtspositie moet dan ook nog voortvloeien uit een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid. Ter voorlichting van opposanten wordt daaraan nog toegevoegd dat het dan niet gaat om eventuele beslissingen tot het toepassen of niet toepassen van strafrechtelijke bevoegheden.
6.2.
Zoals de Afdeling in haar uitspraken van 29 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2170) en 8 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2753) heeft overwogen, is een mededeling van de Inspectie dat zij een melding zal onderzoeken, niet op rechtsgevolg gericht, maar een aankondiging van een feitelijke handeling. De Afdeling heeft daarbij ook overwogen dat de mededeling van de Inspectie dat geen nader onderzoek zal worden verricht, evenmin een besluit is. Dat er wellicht verschillen zijn tussen de kwestie waarin opposanten de inspectie toe nadere actie proberen te bewegen en de onderliggende casussen van die uitspraken, maakt niet dat er in het onderhavige geval een andere conclusie mogelijk is.
Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 24 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie ECLI:NL:RVS:2021:2814