← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:4388

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/1860 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de belastingdienst. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 februari
  2. 1.
  3. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd voor een bedrag van € 1.
  4. 1.
  5. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd naar €
  6. Verder is een proceskostenvergoeding toegekend van €
  7. 1.
  8. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] Beoordeling door de rechtbank
  9. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode kan worden toegepast en of belanghebbende recht heeft op immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
  10. Naar het oordeel van de rechtbank kan de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode niet worden toegepast. Belanghebbende heeft geen recht op immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten
  11. Belanghebbende heeft op 30 december 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [automerk] met VIN nummer [VIN] (de auto) naar een te betalen bedrag aan Bpm van € 2.
  12. Motivering
  13. Belanghebbende stelt dat toepassing van de door haar bepleite herleidingsmethode resulteert in een verschuldigd bedrag aan Bpm van € 2.166, waardoor de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. 5.
  14. De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april
  15. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen. Immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
  16. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Deze periode is niet overschreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor toekenning van een immateriëleschadevergoeding. Conclusie en gevolgen Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 22 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
  17. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). ECLI:NL:GHSHE:2022:1427 Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.