← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:4552

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 21/1503 WIA uitspraak van 22 juni 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker gemachtigde: mr. J.D. van Alphen, en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 maart 2021 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering hem een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen met ingang van 11 mei

  1. Bij besluit van 5 april 2023 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat verzoeker met ingang van 11 mei 2020 duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA. Daarom heeft het UWV eiser bij dit besluit per 11 mei 2020 een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten) toegekend. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten en verzocht hem schadevergoeding toe te kennen voor de te lange duur van de procedure. Het UWV heeft desgevraagd geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
  2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
  3. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 5 april 2023 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en een wegingsfactor 1).
  4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 49,00 aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. 4.1 Verzoeker heeft ook verzocht om schadevergoeding. Daarover overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak de bezwaar- en beroepsfase tezamen in beginsel niet langer mogen duren dan twee jaar (zie Centrale Raad van Beroep 16 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:568). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De termijn vangt aan op het moment dat het UWV het bezwaarschrift ontvangt. 4.2 Het bezwaarschrift tegen het (primaire) besluit van 16 september 2020 is op 1 oktober 2020 door het UWV ontvangen. Dit betekent dat de termijn van twee jaar op 1 oktober 2022 eindigde en dat de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling in welke mate de redelijke termijn is overschreden, gaat de rechtbank uit van de datum waarop het tegemoetkomend besluit is bekend gemaakt, namelijk 5 april
  5. Vanwege de na 1 oktober 2022 verstreken tijd tot aan het tegemoetkomend besluit (6 maanden en 4 dagen), heeft verzoeker recht op een schadevergoeding van € 1.000,00 (uitgaande van € 500,00 per overschrijding per half jaar of een deel daarvan). 4.3 De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig aan de Staat toegerekend, omdat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase niet is overschreden en de behandelduur in de rechterlijke fase (inclusief het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek) meer dan zes maanden te lang heeft geduurd. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,
  6. De rechtbank merkt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in zoverre mede aan als partij in dit geding. Beslissing De rechtbank: veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,00; veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker van € 1.000,
  7. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, op 22 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.