Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2023:4714
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: AWB 21/3362, 21/3363, 22/2654, 22/2987, 22/4513 en 23/2624 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaken tussen [naam eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, en het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder.
Inleiding AWB 21/3362 Wlz In het besluit van 6 mei 2021 (primair besluit) heeft het CAK de te betalen eigen bijdrage vanaf 1 januari 2019 vastgesteld op € 325,86 per maand.
In het besluit van 5 juli 2021 (bestreden besluit I) heeft het CAK het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
In het besluit van 27 mei 2022 (bestreden besluit II) heeft het CAK de eigen bijdrage vanaf 1 mei 2019 gewijzigd vastgesteld op € 23,40 per maand. Het beroep van eiseres wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
AWB 22/2654 Wlz In het besluit van 15 december 2021 (primair besluit) heeft het CAK het verzoek van eiseres om kwijtschelding van de factuur van 20 mei 2021 (€ 3.689,90), waarin de eigen bijdrage over het jaar 2019 (€ 3.634,32) en over de maand mei 2021 (€ 55,58) in rekening is gebracht, afgewezen.
In het besluit van 2 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
AWB 22/4513 Wlz In het besluit van 25 maart 2022 (primair besluit I) heeft het CAK de te betalen eigen bijdrage vanaf 1 januari 2020 vastgesteld op € 332,34 per maand In een factuur van 19 april 2022 (primair besluit II) heeft het CAK € 3.592,08 aan eigen bijdrage over 2020 en € 24,80 aan eigen bijdrage over april 2022 in rekening gebracht.
In het besluit van 5 september 2022 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
AWB 21/3363 Wlz In het besluit van 21 januari 2021 (primair besluit I) heeft het CAK de te betalen eigen bijdrage vanaf 1 januari 2021 vastgesteld op € 55,58 per maand.
In een factuur van diezelfde datum (primair besluit II) heeft het CAK de eigen bijdrage voor januari 2021 ter hoogte van € 55,58 in rekening gebracht.
In het besluit van 5 juli 2021 (bestreden besluit I) heeft het CAK het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
In het besluit van 27 april 2022 (bestreden besluit II) heeft het CAK de eigen bijdrage vanaf 1 januari 2021 gewijzigd vastgesteld op € 24,40 per maand. Het beroep van eiseres wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
AWB 22/2987 Wlz In het besluit van 14 januari 2022 (primair besluit) heeft het CAK de te betalen eigen bijdrage vanaf 1 januari 2022 vastgesteld op € 24,80 per maand.
In het besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
AWB 23/2624 Wlz In het besluit van 13 januari 2023 (primair besluit) heeft het CAK de te betalen eigen bijdrage vanaf 1 januari 2023 vastgesteld op € 26,00 per maand.
In het besluit van 23 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen alle voormelde bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiseres, haar echtgenoot [naam echtgenoot] en namens het CAK mr. S.S. Lalmohamed.
Beoordeling door de rechtbank Feiten en omstandigheden 1. Eiseres heeft een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) met zorgprofiel LG4. Om de benodigde zorg in te kunnen kopen ontvangt zij een persoonsgebonden budget (pgb). Het CAK legt hiervoor een eigen bijdrage op. Uit de (gewijzigde) besluitvorming zoals weergegeven in de inleiding blijkt dat over de jaren 2019 tot en met 2023 de volgende eigen bijdragen zijn opgelegd:
2019 - januari tot en met april € 242,53 per maand, vanaf mei € 23,40 per maand2020 - € 332,34 per maand2021 - € 24,40 per maand2022 - € 24,80 per maand 2023 - € 26,00 per maand Beroepsgronden 2. Eiseres voert aan dat het CAK bij het bepalen van de hoogte van de door haar te betalen eigen bijdrage ten onrechte uitgaat van de inkomensgegevens van de Belastingdienst, aangezien die gegevens volgens haar niet juist zijn. Zij stelt dat het CAK een eigen onderzoeksplicht heeft om het juiste inkomen vast te stellen. Volgens eiseres is zij met het minimale inkomen waar zij en haar echtgenoot van moeten rondkomen niet in staat de eigen bijdrage te betalen. Zij stelt daarom in aanmerking te komen voor vrijstelling of voor kwijtschelding van de eigen bijdrage.
Verder stelt eiseres dat het CAK zich niet op een ordentelijke wijze kwijt van haar speciale zorgplicht jegens invalide medelanders. De regelingen zijn te ingewikkeld, wat deze kwetsbare groep in een onevenwichtige en afhankelijke positie zet ten opzichte van het CAK. Tot slot stelt eiseres dat het CAK de eigen bijdrage over de verschillende jaren meerdere malen heeft aangepast, met een grote hoeveelheid besluiten en correctiefacturen tot gevolg. Dit is volgens haar onzorgvuldig en bovendien zijn de verrekeningen en correcties van de bedragen niet inzichtelijk.
Wettelijk kader 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.
Beoordeling Krijgt eiseres een vrijstelling voor de betaling van het griffierecht?
Heeft het CAK terecht een eigen bijdrage over de jaren 2019 tot en met 2023 opgelegd?
De vraag of er een eigen bijdrage verschuldigd is voor de Wlz-zorg en zo ja, hoe hoog deze bijdrage is, is afhankelijk van onder meer het inkomen van de betrokkene en het inkomen van een eventuele partner. Uitgangspunt is dat iedereen een bijdrage levert aan/voor de zorg die hij/zij ontvangt. Ook bij een laag inkomen dient er een eigen bijdrage betaald te worden.
5.1 Het CAK is voor het bepalen van het inkomen van eiseres en haar echtgenoot gehouden aan de gegevens die het ontvangt van de Belastingdienst. Voor zover eiseres het daar niet mee eens is, moet zij zich tot de Belastingdienst wenden. Hierover heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, zich al meermalen uitgesproken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2018:3031). Het CAK heeft hierin dus geen eigen onderzoeksplicht, zoals door eiseres wordt gesteld.
5.2 Volgens artikel 3.3.1.6, eerste lid, van het Blz wordt de eigen bijdrage zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van een omstandigheid die aanleiding geeft tot een wijziging. Daaronder vallen ook gewijzigde inkomensgegevens van de Belastingdienst. Hierdoor kunnen er geregeld wijzigingen plaatsvinden, wat leidt tot nieuwe besluiten van het CAK. Dat is in het geval van eiseres ook gebeurd. Eiseres heeft niet onderbouwd dat het CAK de eigen bijdrage niet heeft vastgesteld in overeenstemming met de in het Blz neergelegde berekeningsregels. Van onzorgvuldige besluitvorming of onbehoorlijk bestuur aan de zijde van het CAK is de rechtbank dan ook niet gebleken.
5.3 Voor de berekening van de eigen bijdrage wordt gebruik gemaakt van het inkomen over het peiljaar. Dat is het jaar twee jaar voorafgaand aan het zorgjaar. Op grond van artikel 3.3.2.4, tweede lid, van het Blz kan verlegging van het peiljaar naar het lopende jaar plaatsvinden. Daarvoor geldt de voorwaarde dat het inkomen in het lopende jaar naar verwachting ten minste € 2.853,00 lager zal zijn dan het inkomen in het peiljaar. Het CAK heeft de mogelijkheid tot verlegging van het peiljaar toegepast voor het bepalen van de hoogte van eigen bijdrage over het jaar 2019. Dat heeft geleid tot een verlaging van de eigen bijdrage. In verband met het feit dat op grond van artikel 3.3.1.6, tweede lid, van het Blz een herziening slechts met 36 maanden terugwerkende kracht kan plaatsvinden, heeft het CAK deze verlaging pas laten ingaan vanaf de maand mei van dat jaar. Ter zitting heeft het CAK echter erkend dat de verlaging ook over de periode van januari 2019 tot en met april 2019 toegepast had moeten worden. Voor de rest van de beoordeling zal de rechtbank daar dan ook van uitgaan.
5.4 De rechtbank stelt vast dat het CAK uiteindelijk over alle voor de beoordeling relevante jaren de lage eigen bijdrage heeft opgelegd, behalve voor het jaar 2020. Anders dan voor het jaar 2019 heeft het CAK geen aanleiding gezien om het peiljaar te verleggen. Als reden daarvoor heeft het CAK aangevoerd dat dit niet mogelijk is, omdat er nog geen definitieve inkomensgegevens van de Belastingdienst voor het jaar 2020 bekend zijn. Dat klopt op zichzelf, maar zoals hiervoor overwogen wordt als voorwaarde gesteld dat het redelijkerwijs te verwachten moet zijn dat het inkomen van eiseres en haar echtgenoot in 2020 € 2.853,00 lager zal zijn dan het inkomen in het peiljaar 2018. Uit het dossier blijkt dat voor het jaar 2018 voor de echtgenoot van eiseres definitief een inkomen is geregistreerd van € 62.137,00. Zoals hiervoor al bleek, heeft het CAK voor 2019 aangenomen dat het inkomen van de echtgenoot van eiseres substantieel lager was, namelijk € 23.610,00. In de omstandigheden van dit geval is naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs te verwachten dat het inkomen van eiseres en haar echtgenoot in 2020 € 2.853,00 lager zal zijn dan het inkomen in 2018, zodat voldaan is aan de voorwaarde voor peiljaarverlegging. Dit rechtvaardigt een peiljaarverlegging voor het jaar 2020.
5.5 Op grond van het voorgaande geldt dat het CAK in beginsel terecht een eigen bijdrage over de jaren 2019 tot en met 2023 heeft opgelegd en dat aan eiseres over al deze jaren enkel de laagste eigen bijdrage in rekening mag worden gebracht. Daar waar eiseres stelt dat zij en haar echtgenoot tot en met oktober 2022 enkel de beschikking hadden over een arbeidsongeschiktheidsuitkering van haar echtgenoot van € 20.100,00 per jaar, overweegt de rechtbank dat ook als van dit inkomen uitgegaan zou worden, eiseres op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen uit de Wlz en het Blz de laagste eigen bijdrage zou moeten betalen (zie overweging 5).
Komt eiseres in aanmerking voor een vrijstelling voor de betaling van de eigen bijdrage over de jaren 2019 tot en met 2023?
Dit normbedrag bedraagt volgens artikel 23, eerste lid, onder b, van de Participatiewet voor gehuwden € 588,93 per maand. Op grond van het tweede lid, onder b, wordt het bedrag verhoogd met € 50,00 voor gehuwden.
6.1 Eiseres heeft zelf verklaard dat zij en haar echtgenoot met hun inkomen niet onder deze norm komen, ook niet als uitgegaan wordt van het door haar gestelde inkomen van € 20.100,00 per jaar. Dit betekent dat het CAK voor de jaren 2019 tot en met 2023 terecht geen vrijstelling voor het betalen van de eigen bijdrage aan eiseres heeft verleend.
Komt eiseres in aanmerking voor kwijtschelding van de door haar te betalen eigen bijdragen over de jaren 2019 tot en met 2023?
Tot welke conclusie leiden de voorgaande overwegingen?
2019 Bestreden besluit I en II (AWB 21/3362) zullen worden vernietigd voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage over de maanden januari tot en met april 2019. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 6 mei 2021 te herroepen en te bepalen dat de eigen bijdrage over die maanden wordt vastgesteld op € 23,40 per maand (zie overweging 5.3);
Bestreden besluiten I en II (AWB 21/3362) en het bestreden besluit van 2 mei 2022 (AWB 22/2654) zullen eveneens worden vernietigd voor zover deze zien op de beoordeling van de mogelijkheid tot kwijtschelding van de eigen bijdrage.
2020 Het bestreden besluit (AWB 22/4513) zal worden vernietigd voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten I en II te herroepen en te bepalen dat de eigen bijdrage over het jaar 2020 wordt vastgesteld op € 23,80 per maand (zie overweging 5.4);
Het bestreden besluit (AWB 22/4513) zal eveneens worden vernietigd voor zover dit ziet op de beoordeling van de mogelijkheid tot kwijtschelding van de eigen bijdrage.
2021 Het beroep tegen bestreden besluit I (AWB 21/3363) zal niet-ontvankelijk verklaard worden wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien dit besluit vervangen is door bestreden besluit II;
Bestreden besluit II (AWB 21/3363) zal worden vernietigd voor zover dit ziet op de beoordeling van de mogelijkheid tot kwijtschelding van de eigen bijdrage.
2022 en 2023
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen bestreden besluit I in de zaak AWB 21/3363 niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen tegen de overige bestreden besluiten gegrond; vernietigt deze bestreden besluiten; herroept in de zaak AWB 21/3362 het primaire besluit en stelt de eigen bijdrage over de maanden januari tot en met april 2019 vast op € 23,40 per maand; herroept in de zaak AWB 22/4513 de primaire besluiten I en II en stelt de eigen bijdrage over het jaar 2020 vast op € 23,80 per maand; draagt het CAK op om nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak betreffende de mogelijkheid tot kwijtschelding van de eigen bijdragen over de jaren 2019 tot en met 2023; bepaalt dat het CAK het door eiseres betaalde griffierecht van € 198,00 (twee maal € 49,00 (AWB 21/3362 en 21/3363) en twee maal € 50,00 (AWB 22/2654 en 22/2987)) aan haar moet vergoeden; veroordeelt het CAK tot betaling van € 21,84 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 5 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: wettelijk kader Wet langdurige zorg Artikel 3.2.5 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.
Besluit langdurige zorg Artikel 1.1.1 In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: eigen bijdrage: bijdrage van de verzekerde in de kosten van zorg; inkomen:
1°. indien over het peiljaar een aanslag of een navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
2°. in de overige gevallen: inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
Artikel 3.3.1.1 1. De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg.
Artikel 3.3.1.3 1. De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK.
Artikel 3.3.1.6 1. De eigen bijdrage wordt zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
Artikel 3.3.2.2 3. De eigen bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 184,00 en niet meer dan € 966,60 per maand.
Artikel 3.3.2.4 1. Voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. Dit bijdrageplichtig inkomen wordt verminderd met € 6.695, indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.
Algemene wet inzake rijksbelastingen Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001; e. inkomensgegeven: 1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkende over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;
2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon;
Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 2.18 Verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van: het inkomen uit werk en woning; het inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:85 1. Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit: a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep.
Artikel 4:94a Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan een bestuursorgaan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.
Dit bedrag geldt per 1 januari 2023. Sinds 1 januari 2019 hebben de volgende bedragen gegolden: € 505,09, € 507,51, € 518,27, € 521,59, € 529,67, € 531,26, € 537,69 en € 542,69.
Dit bedrag geldt per 1 januari 2023. Sinds 1 januari 2019 hebben de volgende bedragen gegolden: € 75,00, € 74,00, € 76,00, en € 79,00.
Huidige tekst. Voorgaande versies: 2019: € 164,20 en € 861,80, 2020: € 168,00 en € 881,60, 2021: € 171,40 en € 899,80, 2022: € 174,00 en € 913,20.
Huidige tekst. Voorgaande versies: 2019: € 140,80, 2020: € 144,20, 2021: € 147,00, 2022: € 149,20.
Huidige tekst. Voorgaande versies: 2019: € 6.103, 2020: € 6.152, 2021: € 6.226, 2022: € 6.325.
Huidige tekst. Voorgaande versies: 2019: € 2.600, 2020: € 2.621, 2021: € 2.653, 2022: € 2.695.