Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: BRE 17/1434 tot en met BRE 17/1441 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2023 in de zaken tussen [belanghebbende], gevestigd te [plaats] (Duitsland), eiseres (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de Belastingdienst/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland, kantoor Heerlen, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft de verzoeken van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2002/2003, 2004/2005, 2005/2006, 2006/2007, 2007/2008, 2008/2009, 2009/2010 en 2010/2011 afgewezen (de afwijzing). Eisers is tegen de afwijzing in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 te Haarlem. Eiseres en de gemachtigde zijn niet verschenen. De gemachtigde van eiseres heeft dit van tevoren aangekondigd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [inspecteur] en [inspecteur]. Overwegingen Feiten
- Eiseres is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. In de onderhavige jaren hield eiseres belangen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen. Aan eiseres zijn dividenden uitgekeerd waarover in Nederland dividendbelasting is ingehouden.
- Eiseres is een ‘[X]’ met één participant, die onderworpen is aan winstbelasting in Duitsland.
- Eiseres heeft om teruggave van de volgende bedragen aan ingehouden dividendbelasting verzocht: 2002/2003: € 2.515 2003/2004: € 4.221 2004/2005: € 3.550 2005/2006: € 3.194 2006/2007: € 2.257 2007/2008: € 1.705 2008/2009: € 2.631 2009/2010: € 5.866 2010/2011: € 6.957 Deze verzoeken zijn afgewezen. Geschil
- In geschil is of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Eiseres stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Verweerder betwist dat eiseres in aanmerking komt voor enige teruggaaf van dividendbelasting.
- Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil
- Naar het oordeel van de rechtbank kan een [X] met slechts één houder van bewijzen van deelgerechtigdheid in zijn vermogen, zoals eiseres, niet worden aangemerkt als opbrengstgerechtigde in de zin van artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting
- Het fonds kwalificeert immers niet als een fonds voor gemene rekening in de zin van artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 omdat een fonds als eiseres moet worden aangemerkt als een privébeleggingsfonds van de participant. Eiseres kwalificeert evenmin als doelvermogen aangezien de participant op basis van de bewijzen van deelgerechtigdheid aanspraak kan maken op het vermogen van eiseres en dit in de weg staat aan een kwalificatie als doelvermogen (zie Hoge Raad 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:115, r.o. 3.3.3 en 3.7.4 en Hof Den Bosch 20 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2459). Eiseres’ verwijzing naar de zaak A SCPI (Hof van Justitie van de Europese Unie 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:276) maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank verwijst daarbij naar het door Gerechtshof ’s-Hertogenboschgegeven oordeel van 20 juli 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:2459, r.o. 4.6 – 4.7.5).
- Tot slot, in het beroepschrift is gemeld dat de beroepen voor zover nodig mede zijn ingediend namens de participant in het fonds. Er is echter op geen enkele wijze beargumenteerd dat en op welke grond de participant aanspraak zou kunnen maken op teruggaaf van de dividendbelasting. Eiseres noch de participant kan dus aanspraak maken op teruggaaf van dividendbelasting.
- Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft eiseres evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
- Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
- bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).