RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-032674-22 en 02-247576-22 (GEVTTZ) vonnis van de meervoudige kamer van 10 juli 2023 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte01] geboren op [geboortedag01] 2008 te [geboorteplaats01] ( [land01] ) verblijvende bij [jeugdzorg01] , [adres01] , [postcode01] [plaats01] raadsvrouwe mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 26 juni 2023, waarbij de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte 02-032674-22 Feit 1: Op 3 februari 2022 te Middelburg, samen met anderen een diefstal met (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer01] heeft gepleegd, waarbij een fiets en een rugzak zijn gestolen; Deze verdenking is verdachte in verschillende juridische varianten ten laste gelegd, namelijk als diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging dan wel als afpersing in vereniging. Feit 2: Op 3 februari 2022 te Middelburg, samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer02] met (bedreiging met) geweld van zijn geld en schoenen te beroven; Deze verdenking is verdachte in verschillende juridische varianten ten laste gelegd, namelijk als poging diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging dan wel als poging afpersing in vereniging. 02-247576-22 Op 16 augustus 2022 te Middelburg meerdere vervalste bankbiljetten bij zich had van 20 en 50 euro, die hij als echte uit wilde geven. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie 02-032674-22 Feit 1: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer01] , het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant01] en [verbalisant02] en op de verklaring van [medeverdachte01] . De officier van justitie vraagt verdachte vrij te spreken van de afpersing in vereniging. Feit 2: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging afpersing in vereniging. Hij baseert zich daarbij op de aangifte, het proces-verbaal verhoor aangever, het proces-verbaal van verhoor [getuige01] en op de processen-verbaal verhoor van [getuige02] . De officier van justitie vraagt verdachte vrij te spreken van de poging diefstal met geweld in vereniging. 02-247576-22 De officier van justitie vraagt om verdachte van dit feit vrij te spreken, omdat niet gebleken is dat verdachte de opzet had op de uitgifte van de vervalste bankbiljetten. 4.2 Het standpunt van de verdediging 02-032674-22 De verdediging sluit aan bij het standpunt van de officier van justitie. Bij feit 1 is er sprake van een diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging. Op initiatief van [medeverdachte02] zijn de rugzak en de fiets van aangever afgepakt. Verdachte heeft zelf geen geweld toegepast, maar is wel meegelopen en heeft staan kijken. Verdachte zou wel bedreigingen hebben geuit. Bij feit 2 komt het neer op een poging medeplegen afpersing in vereniging. De aangifte is helder. Verdachte erkent ook dat hij aangever heeft vastgepakt en dat hij heeft gedreigd om de ribben van aangever te breken. Ook heeft verdachte in de rugzak van aangever gekeken. [medeverdachte01] heeft verklaard dat [medeverdachte02] de groep op afstand heeft gehouden en dat verdachte aangever heeft vastgehouden. Ook zou verdachte aangever hebben geslagen volgens [medeverdachte01] . Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard over zijn aandeel in de feiten. 02-247576-22 De verdediging vraagt om verdachte hiervan vrij te spreken, omdat hij nooit de bedoeling heeft gehad om de vervalste biljetten uit te geven. De biljetten waren overduidelijk vals, omdat er met letters “kopie” op stond. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten ten aanzien van 02-032674-22 een bekennende verklaring heeft afgelegd en terzake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 26 juni 2023; - de aangifte van [slachtoffer01] ; - de aangifte van [slachtoffer02] . 02-247576-22 De rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij omdat niet gebleken is dat verdachte de opzet had op de uitgifte van de vervalste bankbiljetten. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02-032674-22 1 op 3 februari 2022 te Middelburg tezamen en in vereniging met anderen, een fiets en een rugzak, die aan [slachtoffer01] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer01] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en bedreiging met geweld eruit bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders • die [slachtoffer01] hebben gezegd dat hij mee moest lopen, omdat hij anders klappen zou krijgen, en • een fysiek en numeriek overwicht op die [slachtoffer01] hebben gevormd en • vervolgens - bij een tunneltje - die [slachtoffer01] hebben vastgepakt en • vervolgens die [slachtoffer01] bij de keel hebben vastgegrepen en • vervolgens die [slachtoffer01] tegen het hoofd hebben geslagen en • vervolgens tegen die [slachtoffer01] hebben gezegd dat wanneer hij naar de politie zou gaan ze hem zouden pakken; 2 op 3 februari 2022 te Middelburg tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer02] te dwingen tot de afgifte van geld en schoenen, die aan [slachtoffer02] toebehoorden welke geweld en bedreiging met geweld eruit bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders • die [slachtoffer02] - die op een fiets reed - bij zijn kleding en fiets hebben vastgepakt, in elk geval die [slachtoffer02] hebben doen stoppen en • vervolgens tegen die [slachtoffer02] hebben geschreeuwd dat hij geld moest geven en zijn schoenen moest uittrekken en • vervolgens tegen die [slachtoffer02] hebben gezegd dat hij, verdachte en zijn mededaders [slachtoffer02] zijn ribben zouden breken, en • vervolgens in het bijzijn van die [slachtoffer02] tegen de vrienden van die [slachtoffer02] hebben geroepen dat ze niet dichterbij moesten komen omdat ze anders gestoken zouden worden, en • vervolgens die [slachtoffer02] hebben gestompt en • vervolgens die [slachtoffer02] tegen zijn gezicht hebben geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een leerstraf, zijnde Tools4U Regulier Plus, een werkstraf voor de duur van 20 uren, te vervangen door een jeugddetentie van 10 dagen, een jeugddetentie van 46 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie vordert de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Ten aanzien van de geadviseerde Psycho Motorische Therapie (PMT) stelt de officier van justitie voor om deze zo op te nemen in de bijzondere voorwaarde, dat de noodzaak daarvan ter beoordeling aan de GI is. De officier van justitie vordert daarbij ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte01] en [medeverdachte02] . 6.2 Het standpunt van de verdediging Volgens de verdediging is het psychologisch rapport gedateerd. Hieruit blijkt evenwel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de gepleegde strafbare feiten en dat hij daarnaast impulsief is. Verdachte is inmiddels in een civiel kader gesloten geplaatst. Verdachte heeft zich, nadat hij was weggelopen, zelf weer gemeld. Hij hoopt eerder door te stromen naar een andere groep. Verdachte heeft een moeizame relatie met zijn vader. Verdachte is na deze feiten niet meer in aanraking gekomen met politie. Ook niet toen hij op de vlucht was. De verdediging vraagt hiermee rekening te houden. In Tools4U Regulier Plus zijn oudergesprekken onderdeel van de training. Die wil verdachte niet. Hij geeft er de voorkeur aan dat de begeleiding vanuit de [stichting01] wordt voortgezet. Verdachte wil ook geen PMT volgen. Het tegen zijn wil opleggen van een dergelijke training werkt dan averechts. Verdachte wordt begeleid en ondersteund in een civiel kader. In dat kader kan PMT op termijn worden overwogen. Ook in het kader van de begeleiding door de jeugdreclassering zijn er nog mogelijkheden om verdachte PMT te laten volgen. Volgens de verdediging is het taakstrafverbod van toepassing. De verdediging verzet zich niet tegen een werkstraf. Verdachte kan deze tijdens zijn gesloten plaatsing uitvoeren. De verplichte opname van verdachte bij [jeugdzorg01] hoeft niet in de bijzondere voorwaarden te worden opgenomen, omdat het verblijf van verdachte bij [jeugdzorg01] al in het civiele kader is geregeld. De verdediging verweert zich niet tegen het opnemen van het volgen van onderwijs, het hebben van een dagbesteding, de behandeling van [stichting01] en het toezicht door de jeugdreclassering. Tot slot merkt de verdediging op dat het gevorderde contactverbod niet nodig is. Verdachte wil zelf geen contact meer met medeverdachten. De verdediging heeft er geen bezwaar tegen als de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De ernst en impact van de feiten Verdachte heeft zich samen met twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld en een poging afpersing. Uit de aangiften blijkt dat de slachtoffers erg bang zijn geweest. Verdachte was uit op snel geld en heeft daarbij gehandeld zonder rekening te houden met de gevolgen voor de slachtoffers. En die gevolgen zijn fors, zo blijkt ook uit de vordering benadeelde partij van [slachtoffer01] . Zelfs tot op de dag van vandaag ervaart [slachtoffer01] angst als hij een groepje jongens ziet. Verdachte en medeverdachten hebben bij de slachtoffers een stuk levensvreugde weggenomen, en dit allemaal voor hun eigen financieel gewin. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Verder hebben dit soort feiten een grote impact op de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Ook dit wordt verdachte aangerekend. De persoon van verdachte Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf zal de rechtbank, naast de ernst van de feiten, ook rekening houden met het gegeven dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het advies, zoals vermeld in de op 3 november 2022 uitgebrachte rapportage, van de Raad. De Raad is niet in staat geweest om dit advies te actualiseren, omdat verdachte spoorloos was. De rechtbank beseft dat het rapport en ook het hierna te noemen rapport van de psycholoog enigszins gedateerd zijn. Beide rapporten zijn echter opgemaakt met het doel om de rechtbank te informeren over de persoon en over de psychische gesteldheid van verdachte en zijn daarmee relevant te achten. Het is bovendien verdachte niet aan te rekenen dat de mondelinge behandeling niet eerder heeft plaats kunnen vinden. Nu de inhoud van de rapporten in het voordeel van verdachte meewegen, zal de rechtbank het advies van de Raad en de conclusies van de psycholoog betrekken in de overwegingen van de strafmaat. De Raad adviseert verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een leerstraf, zijnde Tools4U Regulier Plus, een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden: - verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling, te weten [zorginstelling01] ; - verdachte wordt verplicht zich onder behandeling te stellen van een gespecialiseerd PMT-behandelaar of soortgelijke instelling; - verdachte volgt gedurende het hele traject onderwijs; - verdachte wordt verplicht zich onder behandeling van [stichting01] of een soortgelijke instelling te stellen, waarbij aan de gecertificeerde instelling, te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de WSS) te Amsterdam de opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Tijdens de mondelinge behandeling voegt de vertegenwoordigster van de Raad daar nog aan toe dat verdachte ook een begeleider van de [stichting01] mag meenemen naar de ouderbijeenkomsten. De Raad stelt het advies in die zin bij dat een voorwaardelijke jeugddetentie helpend wordt geacht, om te voorkomen dat verdachte nog terug in detentie moet. Het advies moet bovendien nog worden aangepast, in die zin dat wordt bedoeld [jeugdzorg01] en niet [zorginstelling01] . Volgens de Raad kan verdachte PMT en Tools4U naast elkaar volgen. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat de begeleiding vanuit de [stichting01] voortgezet wordt. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van Drs. [deskundige01] , registerpsycholoog kinder- en jeugd d.d. 2 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.