RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 22/3726 WABOA T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen [naam eiser 1] en [naam eiser 2] , uit [plaatsnaam 1] , eisers (gemachtigde: mr. M.P. Wolf), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghoudster] uit [plaatsnaam 1] , vergunninghoudster (gemachtigde: mr. I.E. Duijts). De totstandkoming van het bestreden besluit en het beroep 1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een woning aan de [adres] 2 te [plaatsnaam 1] . 1.1. Op 17 november 2021 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het verbouwen en uitbreiden van haar woning aan de [adres] 2 in [plaatsnaam 1] . 1.2. Bij besluit van 16 december 2021 (primair besluit) heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. 1.3. Eisers hebben bezwaar gemaakt. 1.4. Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning ongewijzigd in stand gelaten. 1.5. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster. 1.7. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden de omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiding van de woning aan de [adres] 2 te [plaatsnaam 1] heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 2.1 Eisers hebben – samengevat – in beroep het volgende aangevoerd. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen had geweigerd moeten worden wegens strijd met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Met het verlenen van de omgevingsvergunning is niet langer sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ook heeft het college ten onrechte de aanvraag niet getoetst aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Ziet de aanvraag op een uitbreiding van het hoofdgebouw of op het bouwen van een aan- of uitbouw? 4. Het perceel [adres] 2 te [plaatsnaam 1] is gelegen binnen het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Op het perceel rust onder meer de enkelbestemming ‘Wonen’. 4.1 Eisers hebben aangevoerd dat het college de aanvraag ten onrechte heeft opgevat als het bouwen van een aan- of uitbouw. Er is sprake van een uitbreiding van het hoofdgebouw. De bestaande woning en de beoogde uitbreiding vormen bouwkundig en functioneel één geheel. De woonkamer wordt vergroot en de keuken wordt verplaatst van de bestaande woning naar de uitbreiding. Het geheel vormt één ruimte. 4.2 Het college stelt dat het bouwplan ziet op het bouwen van een aanbouw. De uitbreiding is in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw. . 4.3 De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat de aanvraag ziet op het bouwen van een aanbouw. In het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] worden het begrip hoofdgebouw en het begrip aan- en uitbouwen gedefinieerd. Een hoofdgebouw is een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Een aan- en uitbouw is een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar daar wel functioneel onderdeel van uitmaakt. Uit de tekeningen bij de aanvraag blijkt dat er een onderscheid is tussen de bouwlaag van de bestaande bouw en de bouwlaag van de uitbreiding. Dit maakt al dat er sprake is van bouwkundige ondergeschiktheid. Voldoet de aanvraag aan de bestemmingsplanregels die zien op het bouwen van een aanbouw binnen de bestemming Wonen? 5. De rechtbank stelt vast dat – nu sprake is van het bouwen van een aanbouw – de aanvraag getoetst dient te worden aan artikel 17.2.3 van het Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Deze regels verschillen van de regels die gelden voor een hoofdgebouw. Dat maakt dat de beroepsgronden van eisers die zien op het bouwen in strijd met de regels voor hoofdgebouwen niet slagen. 5.1 Eisers hebben aangevoerd dat – als sprake is van het bouwen van een aanbouw –onduidelijk is of wordt voldaan aan de eis dat op 1 meter van de zijdelingse bouwperceelgrens moet worden gebleven. Ook volgt uit artikel 17.2.3 van de planregels dat een aanbouw gelijk moet worden gesteld aan een bijgebouw. Het college heeft ten onrechte gesteld dat in de aanbouw gewoond mag worden, dit is in strijd met de specifieke verbodsbepaling van artikel 17.3 van de planregels 5.2 Het college heeft gesteld dat de aanvraag voldoet aan de planregels die zien op het bouwen van een aanbouw. Nu sprake is van een aanbouw – en niet van een bijgebouw – mag in de uitbreiding worden gewoond. 5.3 De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag voldoet aan de eisen uit artikel 17.2.3 van het Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] , dat ziet op het bouwen van aan- en uitbouwen. Anders dan eisers stellen volgt uit dit artikel niet dat een aanbouw gelijk gesteld moet worden aan een bijgebouw. Het omvat enerzijds regels voor aan- en uitbouwen en anderzijds voor bijgebouwen. Ook worden de begrippen in hoofdstuk 1 van het bestemmingsplan verschillend gedefinieerd. Dat in de aanbouw gewoond wordt, is dan ook niet in strijd met het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Verder worden in artikel 17.2.3 voorwaarden gesteld die betrekking hebben op de afstand van een aanbouw tot een zijdelingse bouwperceelgrens. De grens tussen het bouwperceel van vergunninghoudster en het perceel van eisers is voor vergunninghoudster geen zijdelingse bouwperceelgrens. Dat is het gevolg van de situering van het hoofdgebouw op het perceel. Het perceel van vergunninghoudster is een hoekperceel, waarbij de voorzijde van het hoofdgebouw gesitueerd is naar de [adres] . Aan de achterzijde van het hoofdgebouw – en niet aan de linker- of rechterzijde – is het perceel van eisers gelegen. Voor vergunninghoudster is dit de achterste perceelsgrens. 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) bij het uitbrengen van haar adviezen kunnen opmerken dat het bouwplan voldoet aan de regels uit het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] die zien op de bestemming ‘Wonen’. Heeft het college in redelijkheid een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (Waarde-Cultuurhistorie) kunnen verlenen? 7. Uit het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] volgt dat op het perceel – naast de enkelbestemming ‘Wonen’ – ook de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ rust. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 20.2 van het bestemmingsplan het vergroten en/of veranderen van de bestaande bebouwing binnen deze bestemming niet toestaat tenzij het college daarvoor een omgevingsvergunning verleent met toepassing van artikel 20.3 van het bestemmingsplan. 7.1 Eisers voeren aan dat het college van B&W op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 20.3 van de planregels. Het college heeft ten onrechte het advies van de CRK aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd. De CRK heeft een onjuiste beoordeling van het bouwplan aan het bestemmingsplan uitgevoerd. Door de onjuiste toets van het bouwplan aan het bestemmingsplan zijn hun belangen niet juist zijn meegewogen. De bestemmingsplanvoorschriften beogen een bepaalde beeldkwaliteit te garanderen en een aantasting van het woon- en leefklimaat op naastgelegen percelen te voorkomen. In dit geval komt de uitbreiding van de woning veel te dicht bij hun woning. Het bouwplan ontneemt ieder zicht aan de (zij)ramen en leidt tot verminderde daglichttoetreding in hun woning. Bovendien voorziet het bouwplan in het deels bouwen op het perceel van eisers, waardoor sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. 7.2 Het college stelt dat eisers niet onderbouwen waarom het advies van de CRK niet deugt dan wel waarom dit niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Het bouwplan voldoet aan de bepalingen van de bestemming ‘Wonen’. Deze bepalingen laten het vergroten van de woning in de vorm van de aanbouw rechtstreeks toe. In het kader van de bescherming van een goed woon- en leefklimaat is voor de gronden met deze bestemming opgenomen wat de situering en de massa mag zijn van hoofdgebouwen, aanbouwen en bijgebouwen. De gevolgen van de vergroting van de woning in de vorm van een aanbouw tot de bouwperceelgrens is bij de vaststelling van het bestemmingsplan al beoordeeld en afgewogen. Bezwaren tegen deze bouwmogelijkheden hadden in een beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan moeten worden meegewogen. De dubbelbestemming ‘Waarde cultuurhistorie’ is bedoeld om een extra toets uit te voeren ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De belangenafweging dient plaats te vinden met het oog op de bescherming van de cultuurhistorische waarden. Eisers hebben geen gronden ingebracht die zien op de aantasting van de cultuurhistorische waarde van het pand. 7.3 De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid ook voor de activiteit strijd met ruimtelijke regels de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Zoals onder rechtsoverweging 5 en verder is overwogen, is terecht uitgegaan van het bouwen van een aanbouw en getoetst aan artikel 17.2.3 van het Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . De CRK is bij haar advisering uitgegaan een juiste beoordeling van het bouwplan aan het bestemmingsplan. De door eisers aangevoerde gronden zien niet op de bescherming van cultuurhistorische waarden en kunnen alleen daarom al niet worden meegenomen in de afweging van belangen voor dit onderdeel van de omgevingsvergunning. Voor wat betreft de stelling dat privaatrechtelijke belemmeringen aan vergunningverlening in de weg kunnen staan zij het volgende opgemerkt. Daarvan is sprake als er zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander de toestemming niet geeft en niet hoeft te geven. Dat vergunninghoudster op de grond van eisers gaat bouwen is een stelling die ter zitting niet nader werd onderbouwd en, als die zou zijn gehandhaafd, geldt dat daarvoor nader onderzoek nodig zou zijn. Bovendien kan een eventuele overschrijding van de erfgrens, zoals ter zitting is besproken, niet zodanig groot zijn dan deze de realisering van het bouwplan geheel onmogelijk maakt. Dat maakt dat er geen sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Is het bouwplan in strijd met de voorschriften die zien op de bestemming ‘Waarde-Archeologie”? 8. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] volgt dat op het perceel ook de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ rust. Het college stelt dat sprake is van een uitbreiding van 97,7 m². Eisers voeren aan dat de uitbreiding ziet op meer dan 100 m², waardoor artikel 18.2 van het Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] wordt overtreden. 8.1 De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming is met artikel 18.2 van het Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van meer dan 100 m². Tussen partijen is niet in geschil dat de aanbouw een lengte heeft van 17,70 meter. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te denken. Voor de breedte van het bouwwerk gaat het college uit van 5,65 meter. Op basis van de tekeningen bij de aanvraag komt de rechtbank tot de volgende berekening: - Breedte van het nieuw te bouwen gedeelte: 5,440 m + 0,280 m = 5,720 m. - Oppervlakte 17,70 m. x 5,720 m. = 101,244 m². Het college heeft dit ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling van de aanvraag en het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Onder rechtsoverweging 10 en verder is terug te lezen wat de conclusie en gevolgen hiervan zijn. Had het bouwplan aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn getoetst moeten worden?. 9. Eisers voeren aan dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat het bouwplan niet tot significant negatieve effecten op Natura2000-gebieden zal leiden. Er is zelfs geen Aerius-berekening gemaakt. Het college heeft nagelaten de aanvraag te toetsen aan artikel 2.1, eerste lid onder, i, van de Wabo juncto artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.7 van de Wet Natuurbescherming (Wnb). 9.1 Het college stelt dat een Aerius berekening pas wordt opgevraagd als de activiteiten significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Pas dan is er sprake van een vergunningplicht in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i van de Wabo. Hier gaat het om het uitbreiden van een woning en niet het toevoegen van een woning – dus is er alleen sprake van een bouwfase. Gelet op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ( [plaatsnaam 2] op 2,4
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.