RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/099163-22 vonnis van de meervoudige kamer van 18 juli 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989 gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Middelburg raadsman mr. B. Çiçek, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2023, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte Feit 1heeft geprobeerd [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven te beroven door hem met een mes dan wel een scherp voorwerp in het gezicht te steken. Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als een poging daartoe. Feit 2[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] heeft bedreigd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van de poging doodslag zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd nu het gaat om een oppervlakkige snijwond langs de wang en een steek langs de jas. Voorwaardelijk opzet ligt dan minder voor de hand. De officier van justitie acht de zware mishandeling zoals subsidiair aan verdachte ten laste is gelegd, wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte had een mes bij zich en heeft uitgehaald naar het gezicht van het slachtoffer. Er is sprake van blijvend letsel waardoor sprake is van een voltooide zware mishandeling. Ook de bedreiging zoals onder feit 2 ten laste is gelegd, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Er is een mes getoond en bewogen in de richting van beide slachtoffers. Dan staat in voldoende mate vast dat er vrees is ontstaan. Ook de woorden die daarbij zijn uitgesproken, acht de officier van justitie bewezen nu dit uit de aangifte naar voren komt. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag nu er enkel sprake is geweest van een oppervlakkige snijwond. De verdediging refereert zich wat de zware mishandeling betreft. Er zijn littekens te zien en aangenomen kan worden dat deze zichtbaar blijven. Ten aanzien van de bedreiging voert de verdediging aan dat [slachtoffer 2] de enige is die verklaard heeft iets te hebben gehoord. Verder ondersteunend bewijs komt niet uit het dossier naar voren. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte van dit feit dan ook te worden vrijgesproken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 18 april 2022 heeft er een geweldsincident plaatsgevonden waarbij verdachte en aangever [slachtoffer 1] betrokken zijn geweest. Verdachte heeft daarbij op enig moment een mes uit zijn broekzak gehaald en hiermee in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] gestoken. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 1] een snijwond in zijn wang opgelopen. Vervolgens heeft verdachte het mes in de richting van [slachtoffer 2] gehouden waarbij hij heeft geroepen: “Ik maak je dood”. [slachtoffer 2] is hierop weggerend, waarna verdachte achter hem aan is gegaan en daarbij het mes in zijn hand heeft gehouden. Feit 1: poging doodslag of zware mishandeling De vraag die op de eerste plaats moet worden beantwoord, is of voornoemde gedragingen van verdachte als een poging doodslag kunnen worden aangemerkt. Daarvoor is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , al dan niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat bij verdachte sprake is geweest van vol opzet op de dood. Verdachte heeft dit niet verklaard en het volgt ook niet uit de bewijsmiddelen. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat verdachte met zijn handelen in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard op de dood van [slachtoffer 1] . Bij deze beoordeling komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. In het onderhavige geval is in dat kader van belang dat de rechtbank op grond van de stukken in het dossier niet kan vaststellen met welke kracht er is gestoken en wat voor soort mes er is gebruikt. Voort blijkt uit de medische informatie in het dossier dat er bij [slachtoffer 1] sprake was van een oppervlakkige snijwond. Medisch ingrijpen, anders dan het aanbrengen van een aantal hechtingen, was niet nodig. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in onvoldoende mate vaststaat dat door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans is ontstaan dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een mes in zijn wang te steken dan wel te snijden. Uit het dossier volgt dat er bij [slachtoffer 1] sprake was van een snijwond van ongeveer 5 cm groot die gehecht moest worden. Verder blijkt uit de bijlagen bij de vordering van de benadeelde partij dat [slachtoffer 1] aan het incident een litteken op zijn wang heeft overgehouden wat nog steeds goed zichtbaar is. Gelet op de blijvende aard van het letsel en het ontsierende karakter ervan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Feit 2: bedreiging [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van aangever [slachtoffer 2] . De verklaring van [slachtoffer 2] dat hij met de dood is bedreigd, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] . De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd en zal verdachte hiervan vrijspreken. Op basis van het dossier kan onvoldoende worden vastgesteld of [slachtoffer 1] ten tijde van de bedreigingen nog ter plaatse was of zich reeds in de snackbar bevond. Hierdoor staat niet vast dat verdachte zijn bedreigingen ook richting [slachtoffer 1] heeft geuit. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Feit 1 subsidiair op 18 april 2022 te Oudenbosch, gemeente Halderberge aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten enig letsel in het aangezicht met een blijvend litteken, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met een mes in het gezicht te steken/snijden; Feit 2op 18 april 2022 te Oudenbosch, gemeente Halderberge [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie dood" en hierbij die [slachtoffer 2] een mes te tonen en hiermee in de richting van die [slachtoffer 2] te bewegen; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel terbeschikking-stelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege. Daarnaast verzoekt de officier van justitie een gevangenisstraf op te leggen van 465 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) is geobserveerd naar aanleiding waarvan een uitgebreid rapport is opgesteld. Wegens de weigering van verdachte hebben zij geen advies kunnen geven. Geen enkele keer is gesproken over tbs. De conclusie in het rapport is dat niet kan worden uitgesloten dat er iets met verdachte aan de hand is. De verdediging acht dit echter onvoldoende om tot oplegging van tbs over te gaan, temeer nu er in de afgelopen periode van detentie niks is voorgevallen. De verdediging verzoekt de eis van de officier van justitie af te wijzen en een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] door hem met een mes in zijn gezicht te steken. Dit grove geweld vond plaats zonder enige aanleiding; verdachte en [slachtoffer 1] waren onbekenden voor elkaar. Verdachte was verward en keerde zich plotseling tegen [slachtoffer 1] . Door zo te handelen heeft verdachte in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Hij heeft er kennelijk in het geheel niet bij stilgestaan wat de gevolgen van zijn handelen konden zijn voor het slachtoffer. De snijwond die [slachtoffer 1] heeft opgelopen, is nog steeds zichtbaar in de vorm van een flink en ontsierend litteken op zijn wang. Daarnaast volgt uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring dat [slachtoffer 1] sinds het incident angstiger is geworden en dat hij moeite heeft met drukke plekken. Verdachte heeft zich naast deze zware mishandeling ook schuldig gemaakt aan een bedreiging van [slachtoffer 2] . Hij heeft zonder aanleiding doodsbedreigingen richting hem geuit en is achter hem aangerend met een mes in zijn hand. Dit moet voor [slachtoffer 2] een zeer angstige ervaring zijn geweest. Tbs-maatregel De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de noodzaak bestaat tot het opleggen van tbs met verpleging van overheidswege, zoals geëist door de officier van justitie. De juridische criteria voor het kunnen opleggen van een tbs-maatregel volgen uit artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij verdachte dient ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens te hebben bestaan, de door verdachte begane feiten moeten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld of zijn genoemd in artikel 37a, lid 1 Sr, en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen moet het opleggen van de maatregel eisen. De rechtbank stelt op grond van artikel 37a, lid 2 Sr vast dat zware mishandeling en bedreiging strafbare feiten zijn waarvoor een tbs-maatregel kan worden opgelegd. Stoornis De rechtbank stelt vast dat verdachte slechts beperkt heeft meegewerkt aan gedragskundig onderzoek. In artikel 37a lid 3 Sr is bepaald dat voor oplegging van tbs is vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Door de weigerachtige houding van verdachte hebben deskundigen bij zowel het reguliere persoonlijkheidsonderzoek, als bij het onderzoek in het PBC, geen compleet beeld kunnen krijgen van de psychische gesteldheid van verdachte. Hierdoor hebben de deskundigen zich onthouden van een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico. Een advies om tbs met verpleging van overheidswege op te leggen ontbreekt dan ook. De rechtbank merkt verdachte echter aan als weigerende observandus zoals bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr. Hierdoor blijft het bepaalde in artikel 37a lid 3 Sr buiten toepassing en kan tbs met verpleging van overheidswege ook zonder een advies van de deskundigen worden opgelegd. Wel is in dat geval vereist dat de rechtbank zelf een ziekelijke stoornis of gebrekkige geestelijke ontwikkeling vaststelt. Daarbij zal de rechter zich in sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt. Verdachte is geobserveerd in het PBC. Door het PBC is gerapporteerd dat verdachte beperkt heeft meegewerkt waardoor onderzoekers sterk worden beperkt in het trekken van diagnostische en forensische conclusies. Wel zijn er volgens de onderzoekers enkele diagnostische beschouwingen mogelijk. Zo vermoedt de psycholoog een psychotische stoornis in het verleden, waarbij zowel paranoïde waangedachten als hallucinaties zouden hebben gespeeld. Ernst, omvang en duur ervan zijn echter achteraf niet vast te stellen. Daartoe ontbreekt informatie. Wel is betrokkene vanwege een psychiatrische stoornis opgenomen geweest in een GGZ-instelling, hetwelk synoniem is met de aanwezigheid van ernstige psychopathologie. Of die thans ook aanwezig is, valt volgens onderzoekers niet te bepalen. De onderzoekers observeren voorts ten tijde van verdachtes verblijf in het PBC inactiviteit, traag- en vlakheid, alsmede momenten tijdens welke hij volgens de groepsleiding volledig in zichzelf lijkt gekeerd. Dit zouden tekenen kunnen zijn van (restverschijnselen van) een psychose. Hierbij telt tevens de informatie dat zijn moeder en broer vermoedelijk lijden c.q. hebben geleden aan een psychose in het kader van schizofrenie. Bekend is dat familieleden van schizofrene patiënten een verhoogde kans hebben op dezelfde stoornis. De onderzoekers stellen geen actuele psychose noch restverschijnselen ervan vast. Daartoe levert het huidig onderzoek - door de forse beperkingen ervan - uiteindelijk te weinig onderbouwing. Maar zij kunnen deze ook niet uitsluiten. De onderzoekers stellen voorts vast dat er ten tijde van het ten laste gelegde feit sterke aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld waren. Twee dagen voor het ten laste gelegde meldde betrokkenes zus bij de politie dat betrokkene buiten stond te schreeuwen en rondjes liep. Verdachte dacht dat er mensen voor de deur stonden, maar zijn zus wist niet zeker of dit echt zo was. Zijn zus vond dat betrokkene eerder angstig was dan gevaarlijk. Een dergelijk beeld wijst volgens de onderzoekers op een psychose, zeker opgeteld bij het feit dat betrokkene na zijn aanhouding bij de politie paranoïde gekleurde uitspraken deed en hij bij binnenkomst in het huis van bewaring een verwarde indruk maakte waarna hij gedurende korte tijd onder cameratoezicht werd geplaatst. Zo er sprake was van een psychose, dan is echter het kader waarin die optrad niet duidelijk. Het zou kunnen passen in het kader schizofrenie, maar theoretisch ook in het kader van pathologisch middelengebruik. De onderzoekers zijn door de beperkingen van het onderzoek niet in staat uitspraken te doen over een eventuele pathologische doorwerking van verdachtes psychische toestand in zijn agressief handelen. Om die reden onthouden zij zich van een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid. Gelet op het feit dat verdachtes functioneren rondom tot het ten laste gelegde weliswaar een psychose doet vermoeden, maar deze vanwege voornoemde sterke onderzoeksbeperkingen niet kan worden onderbouwd (of verworpen) kunnen onderzoekers ook geen doorwerking van eventuele psychopathologie in het ten laste gelegde vaststellen en derhalve geen (pathologisch bepaald) recidivegevaar onderbouwen. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia rapport van [psycholoog] van 14 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.