RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: BRE 21/1252 en 21/1253 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats 1] (Duitsland), belanghebbende (gemachtigde: drs. J. Heerema), en de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 februari
- De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende twee aanslagen forensenbelasting opgelegd over het jaar 2020 voor de woningen aan de [adres] en [huisnummer 1] te [plaats 2] tot een gezamenlijk bedrag van € 3.356,
- De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag voor de woning op [huisnummer 1] in stand gelaten. Gedurende de bezwaarprocedure heeft de heffingsambtenaar de aanslag voor de woning op [huisnummer 2] verminderd. Hiervoor heeft hij geen kostenvergoeding toegekend. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Op 2 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar een stuk gestuurd aan de rechtbank waaruit blijkt dat hij volledig aan de beroepen van belanghebbende tegemoet gaat komen en de proceskosten en het griffierecht zal vergoeden. Een identieke beslissing heeft hij genomen voor het belastingjaar
- De rechtbank heeft de beroepen op 3 augustus 2023 op zitting behandeld. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank van beide partijen bericht gekregen dat zij niet bij de zitting aanwezig zouden zijn. Op 9 augustus 2023 heeft de rechtbank van belanghebbende een intrekking voor wat betreft de aanslagen ontvangen. Belanghebbende heeft zijn verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure niet ingetrokken. Beoordeling door de rechtbank Partijen hebben overeenstemming bereikt over het inhoudelijke geschil en over de proceskostenveroordeling in beide beroepen. Belanghebbende heeft zijn beroepen in zoverre ingetrokken. De rechtbank zal over het inhoudelijke geschil dan ook geen oordeel meer geven. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 20 januari 2021, zijnde de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen. Nu de heffingsambtenaar op 2 augustus 2023 heeft toegezegd de aanslagen te vernietigen, zijn sindsdien (afgerond) 31 maanden verstreken. Aangezien de redelijke termijn als uitgangspunt twee jaar bedraagt, is de redelijke termijn met zeven maanden overschreden. Nu het fiscale belang ruim meer was dan € 500 bestaat recht op een vergoeding van € 500 per (gedeelte van een) half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, in dit geval dus twee maal (€ 1.000). De rechtbank gaat, anders dan belanghebbende, voor de bepaling van de immateriële schadevergoeding uit van samenhangende zaken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat één bezwaarschrift is ingediend met daarin beide aanslagen, dat het dezelfde materie en hetzelfde belastingjaar betreft, dat de beroepen gelijktijdig en in één geschrift zijn ingesteld. Om die redenen wordt slechts eenmaal een vergoeding van immateriële schade toegekend. Omdat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase en in het verweerschrift niet inhoudelijk is ingegaan op de gronden van belanghebbende en dit kennelijk pas kort voor de zitting heeft gedaan (en dit heeft geleid tot een vernietiging van de aanslagen) komt de gehele overschrijding voor rekening van de heffingsambtenaar. Conclusie en gevolgen De rechtbank wijst het verzoek om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. Nu de heffingsambtenaar de proceskosten voor het inhoudelijke geschil aan belanghebbende vergoedt is er geen reden een afzonderlijke proceshandeling in aanmerking te nemen te nemen voor het verzoek om toekenning van deze schadevergoeding. Beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek om toekenning van immateriële schade toe; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding wegens immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 24 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. deze uitspraak is enkel ondertekend door de rechter omdat de griffier is verhinderd deze te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.