RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-093558-21 vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsvrouw mr. L.C.W. Wingens, advocaat te Tilburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 augustus 2023, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: samen met een ander door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij twee personen (ernstig) gewond zijn geraakt dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt; feit 2: opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was dan wel de maximum snelheid met 30 kilometer per uur (of meer) heeft overschreden. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte heeft deelgenomen aan een rally die zich, gelet op het rijgedrag van de deelnemers, laat kwalificeren als een race. Over een lange afstand heeft verdachte meerdere keren de maximumsnelheid bewust fors overschreden en hij heeft op een smalle weg een gevaarlijke inhaalmanoeuvre gemaakt zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer op de weg. Hierdoor zijn ernstige risico’s voor de verkeersveiligheid ontstaan. Verdachte is in botsing gekomen met [medeverdachte] die daardoor twee fietsers heeft aangereden. Beide fietsers zijn gewond geraakt. Voor één van hen heeft het letsel geleid tot een tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden. De ander heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het verkeersgedrag van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos. Hoewel verdachte en [medeverdachte] beiden deelnamen aan de rally kan niet worden gesproken van medeplegen, zodat verdachte van dat onderdeel vrijgesproken moet worden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Er was geen sprake van een wedstrijd. Verdachte heeft weliswaar te hard gereden en met te hoge snelheid iemand ingehaald, maar daarmee is geen sprake van een schending van de verkeersregels ‘in ernstige mate’. Verdachte moet daarom vrijgesproken worden van de schuldgradatie roekeloosheid. Omdat er onvoldoende bekend is over het letsel en de gevolgen voor [slachtoffer 1] kan niet worden vastgesteld dat er in zijn geval sprake is van zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan. Er is verder geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het onder 1 primair ten laste gelegde artikel 6 WVW, is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Dit betekent dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval en dat verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt moet kunnen worden gemaakt. Aan beide vereisten is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voldaan. Zij overweegt daartoe als volgt. Oorzaak ongeval Verdachte reed op zondagochtend 28 maart 2021 rond 11.45 uur op de Loonsehoek, een smalle weg voor tweerichtingsverkeer in het buitengebied van Udenhout, waar een maximumsnelheid geldt van 60 kilometer per uur. Aan beide zijden van de (enkele) rijbaan bevindt zich een rood gekleurde fietsstrook en op de Loonsehoek komen meerdere uitritten van langs die weg gelegen woningen en bedrijven uit. Verdachte reed in een witte Volkswagen Golf. Voor hem reed een onbekend gebleven auto/bestuurder en daarvoor reed [medeverdachte] in een zwarte Volkswagen Golf gti. Vóór [medeverdachte] reden twee fietsers. Verdachte en zijn [medeverdachte] hebben kort voor de aanrijding geaccelereerd. [medeverdachte] reed kort voor de aanrijding met een indicatief berekende snelheid van 111,6 kilometer per uur en op het moment van de botsing met verdachte met 108 kilometer per uur. Verdachte heeft de onbekend gebleven auto voor hem en de auto van [medeverdachte] met een indicatief berekende snelheid van ruim 133 kilometer per uur ingehaald. Dat was ook zijn snelheid op het moment dat hij in botsing kwam met de auto van [medeverdachte] . Op enig moment is [medeverdachte] naar links gekomen, mogelijk om de voor hem rijdende twee fietsers in te halen. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn inhaalmanoeuvre geen zicht had op het verkeer dat voor [medeverdachte] reed: hij heeft de fietsers niet gezien. Verdachte heeft ook verklaard dat hij niet verder naar links kon uitwijken om de botsing met [medeverdachte] te voorkomen. Door die botsing is het linker voorwiel van de auto van [medeverdachte] afgebroken waardoor deze auto nagenoeg onbestuurbaar raakte, over de rijbaan naar rechts is geschoven en daar achter op de beide naast elkaar rijdende fietsers is gebotst. De rechtbank concludeert dan ook dat het ongeval, de aanrijding van de fietsers, mede is veroorzaakt door de gedragingen van verdachte. Schuldgradatie Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos. Die laatste geldt als de zwaarste, aan opzet grenzende vorm van schuld. Deze zwaarste schuldvorm van roekeloosheid is ten laste gelegd en de rechtbank zal dan ook moeten beoordelen of daarvan sprake is. Roekeloosheid Per 1 januari 2020 is de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in werking getreden (Stb. 2019, 413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo, dat zij dient te beoordelen of het gedrag van verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan is sprake van de schuldvorm roekeloosheid. Artikel 5a WVW De rechtbank moet beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden en of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Verdachte heeft de maximum snelheid fors overschreden en een inhaalmanoeuvre uitgevoerd zonder voldoende zicht te hebben op het verkeer voor hem op de weg. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee van de in artikel 5a, eerste lid, WVW, genoemde verkeersgedragingen. Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag, zeer onverantwoordelijk rijgedrag. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten (kst. 35 086, nr. 3, p. 11) blijkt dat daarbij onder meer kan worden gedacht aan het voor een langere periode met een hoge snelheid rijden. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij op meerdere plekken heel hard heeft gereden. Hij heeft voorafgaande aan het ongeval gedurende meer dan twintig minuten over een afstand van ruim 21 kilometer de maximumsnelheid meerdere keren (fors) overschreden. Verdachte nam op 28 maart 2021 deel aan een ‘rally’ voor auto’s met een vermogen van ten minste 200 pk en ook uit de verklaringen van meerdere getuigen valt af te leiden dat de rallydeelnemers met zeer hoge snelheid reden, onnodig en onverantwoord inhaalden en meerdere verkeersregels overtraden. Een aantal getuigen spreekt over asociaal en schofterig rijgedrag. De deelnemers aan de rally – onder wie verdachte – vertoonden competitief rijgedrag en naar de uiterlijke verschijningsvorm was er dan ook sprake van een race, ook al zou er geen sprake zijn geweest van een wedstrijd. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden en ook dat hij dat met opzet heeft gedaan. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat verdachte zijn auto in ‘racestand’ had gezet, zodat hij sneller zou reageren en het makkelijker was om harder te rijden. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag. In dit geval zijn ook daadwerkelijk twee fietsers gewond geraakt (mede) door toedoen van verdachte. [slachtoffer 2] heeft een borstwervel gebroken en een hersenschudding en oogletsel opgelopen. Zij is geopereerd en heeft moeten revalideren. Haar zicht is momenteel – meer dan twee jaar later – nog steeds geen 100%. De kans op volledig herstel wordt steeds kleiner. Haar letsel merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel. [slachtoffer 1] heeft door het (mede) aan verdachte te wijten ongeval meerdere schaafwonden en kneuzingen opgelopen en zijn herstelperiode werd op drie maanden geschat. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het geval van [slachtoffer 1] in elk geval sprake is geweest van tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden. Daarnaast is de rechtbank uit het dossier gebleken dat zich op de bewuste zondagochtend veel andere, ook kwetsbare, verkeersdeelnemers op en langs de wegen bevonden waarop verdachte (veel) te hard heeft gereden. Een mogelijk fatale aanrijding was bepaald niet denkbeeldig geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen, omdat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] . Conclusie Op grond van al het hiervoor overwogene acht de rechtbank het onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.