RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/3200 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2023 in de zaak tussen [belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [naam 1] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 juni 2021. 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 februari 2021 aan belanghebbende een waardebeschikking (de beschikking) toegezonden. In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar (onder andere) een aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2021 aan belanghebbende opgelegd. De beschikking is vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De beschikking en de aanslag hebben betrekking op de woning van belanghebbende op het [adres 1] te [plaats] (de woning). 1.2. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 280.000. 1.3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking en de aanslag OZB bij uitspraak op bezwaar van 14 juni 2021 afgewezen. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde [naam 2] , verbonden aan [B.V.] , en namens de [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning en daarmee ook de aanslag OZB niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning en daarmee de aanslag OZB niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is eigenaar van de woning (bouwjaar 1920). Het betreft een halfvrijstaande woning met een inhoud van 483 m³, een vrijstaande berging en een vrijstaande garage (bouwjaar 1998) op een perceel van 273 m². Overwegingen 4. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning. Belanghebbende bepleit – zo is namens hem ter zitting verklaard – een waarde van € 255.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij beschikking vastgestelde waarde van € 280.000. Vooraf: objectkenmerken van de woning 5. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde van de woning is uitgegaan van onjuiste objectkenmerken omdat op het taxatieverslag een inhoud van 511 m³ staat vermeld, terwijl de inhoud van de woning 470 m³ bedraagt. Ter zitting is vast komen te staan dat de woning een inhoud van 483 m³ heeft. Deze inhoud is ook in de taxatiematrix van de heffingsambtenaar beschreven. Verder is belanghebbende door verjaring eigenaar geworden van een stuk grond van circa 40 m². Ter zitting is namens belanghebbende verklaard dat dit stuk grond in de totale oppervlakte van het perceel van 273 m² is meegenomen. De taxatiematrix van de heffingsambtenaar gaat ook uit van een totale perceeloppervlakte van 273 m². Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat de objectkenmerken tussen partijen niet langer in geschil zijn. De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep daarom uitgaan van de juistheid van de in de taxatiematrix van de heffingsambtenaar beschreven objectgegevens. Vergelijkingsmethode 6. De waarde van een woning wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 6.1. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. 6.2. De heffingsambtenaar mag de waarde in principe in iedere fase van de procedure opnieuw onderbouwen. Onderbouwing van de WOZ-waarde 5. De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiekaart en een taxatiematrix ten grondslag gelegd. 7.1. In de taxatiekaart is een waarde voor de woning van € 280.510 vermeld. Als referentieobjecten voor de woning zijn gebruikt de objecten aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] te [plaats] . In de taxatiematrix zijn de referentieobjecten vergeleken met de woning. 5.2. Volgens de heffingsambtenaar is voldoende aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde WOZ-waarde van € 280.000 niet te hoog is. Inzichtelijkheid indexeringspercentages en correcties voor verschillen in KOUDV-factoren 6. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar het indexeringspercentage om de waarde van de referentiepanden op de waardepeildatum te bepalen, en de onderbouwing daarvan, niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar met het taxatieverslag niet inzichtelijk heeft gemaakt welke correcties zijn toegepast voor de verschillen in KOUDV-factoren. 6.1. De rechtbank overweegt als volgt. Pas bij het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar de taxatiematrix overgelegd. Uit de taxatiematrix blijkt dat de verkoopwaardes zijn geïndexeerd op basis van woningindexcalculator.nl van Vastgoedpro. Verder zijn in de taxatiematrix de correcties voor de verschillen in de KOUDV-factoren voldoende inzichtelijk en controleerbaar gemaakt. Dat betekent dat de heffingsambtenaar pas in beroep de indexering, de KOUDV-factoren en de manier waarop de verschillen in de KOUDV-factoren zijn verdisconteerd in de waarde, voldoende heeft gemotiveerd, terwijl belanghebbende daarom ook in bezwaar heeft verzocht. De heffingsambtenaar heeft daar ten onrechte in de uitspraak op bezwaar niet op gereageerd. De rechtbank ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is gebleken van benadeling van belanghebbende. In beroep heeft de heffingsambtenaar de beoordeling immers alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt en belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Vergelijkbaarheid van de referentiewoningen 7. De objecten aan de [adres 2] , [adres 5] en [adres 6] betreffen twee-onder-een-kapwoningen. Het object aan de [adres 3] betreft een tussenwoning. Het object aan de [adres 4] betreft een halfvrijstaande woning. De woningen hebben een bouwjaar tussen 1910 en 1958. 7.1. Belanghebbende bestrijdt dat de referentiewoning aan de [adres 7] vergelijkbaar is. De heffingsambtenaar heeft de referentiewoning aan de [adres 7] vervolgens in zijn verweer buiten beschouwing gelaten, zodat de rechtbank over de vergelijkbaarheid van deze referentiewoning geen oordeel meer hoeft te geven. Belanghebbende heeft als zodanig niet bestreden dat de referentiewoningen aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] vergelijkbaar zijn met de woning. De rechtbank is van oordeel dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende om ter onderbouwing van de waarde te kunnen dienen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de referentiewoningen wat type, ligging, (perceel)oppervlakte en KOUDV-factoren vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen aan de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] zijn wat betreft bouwjaar (1920, 1910, respectievelijk 1910) ook goed vergelijkbaar met de woning. Het bouwjaar van de referentiewoningen aan de [adres 2] (bouwjaar 1958) en de [adres 3] (bouwjaar 1947) wijkt wel af van het bouwjaar van de woning, maar de rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn stelling dat de woning door de vele verbouwingen (in 1959, 1965, 1971, 1973, 1989, 1995 en 1998) vergeleken kan worden met de referentiewoningen aan de [adres 2] en de [adres 3] . De verschillen tussen de referentiewoningen en de woning 8. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde voorzieningen in de woning. De voorzieningen in de woning moeten volgens belanghebbende gemoderniseerd worden en een potentiële koper houdt bij het onderhandelen over de koopsom van de woning rekening met de kosten die een modernisatie van de voorzieningen met zich brengt. Daarnaast stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het ontbreken van spouwmuren in de woning. Doordat de woning geen spouwmuren heeft, is de woning slecht geïsoleerd en levert dat vochtproblemen op. Verder stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met verzakking van de woning en met de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door de ligging aan een drukke doorgaande weg en door de kerklokken van de naburige kerk. Tot slot stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut. 8.1. De rechtbank overweegt als volgt. 8.1.1. De inhoudsprijs van de referentiewoningen aan de [adres 2] , [adres 3] en de [adres 5] is gecorrigeerd op de afwijkende kwalificatie voor voorzieningen (alle factor 4) ten opzichte van de kwalificatie voor voorzieningen van de woning van belanghebbende (factor 3). De gemiddelde inhoudsprijs van de referentiewoningen is € 426,40. Voor de woning is uitgegaan van een inhoudsprijs van € 352. De heffingsambtenaar heeft hiermee inzichtelijk gemaakt dat met de verschillen, in het bijzonder de verschillen in (kwaliteit van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.