RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Tilburg zaaknummer 10079290 CV EXPL 22-3236 vonnis van 8 februari 2023 in de zaak van de besloten vennootschap [eiseres] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. J.W. Hilhorst, advocaat te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap Aannemingsbedrijf [gedaagde] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. E.M.J. Keijzer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam. Partijen worden door de kantonrechter hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: a. de dagvaarding van 24 augustus 2022 met producties; b. de conclusie van antwoord met 1 productie; c. de conclusie van repliek met producties; d. de conclusie van dupliek. Hierna is uitspraak bepaald. 2De feiten 2.
- [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] onder andere een verreiker (inclusief bedieningsman) aan [gedaagde] ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van werkzaamheden bij het [naam] te [plaats] . 2.
- [eiseres] heeft hiervoor de volgende facturen aan [gedaagde] in rekening gebracht: - d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 1] ): € 928,67 - d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 2] ): € 1.188,22 - d.d. 31 augustus 2021 ( [factuurnummer 3] ): € 997,04 + € 3.113,93 2.
- [gedaagde] heeft [eiseres] per e-mail van 24 februari 2022 verzocht om een nadere onderbouwing van de facturen. [eiseres] heeft hierop per e-mail van 28 maart 2022 gereageerd. 2.
- De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 3 juni 2022 gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 3.113,93, vermeerderd met rente en kosten. 2.
- [gedaagde] heeft niet aan de sommatie voldaan en niets betaald. 3De vordering en het verweer 3.
- [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.764,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.113,93 vanaf 10 augustus 2022 tot aan de dag van de volledige betaling, alsmede [gedaagde] in de (na)kosten van de procedure te veroordelen. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen door de aan haar gefactureerde kosten, totaal bedragende € 3.113,93, onbetaald te laten. De buitengerechtelijke incassokosten van € 436,39 worden primair gevorderd op grond van de overeengekomen algemene voorwaarden en subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (BW). De wettelijke handelsrente -tot 10 augustus 2022 berekend op een bedrag van € 214,31- wordt gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 6:119a BW. 3.
- [gedaagde] stelt in haar verweer -samengevat en voor zover thans van belang- dat zij de gevorderde facturen niet verschuldigd is, omdat partijen onderling andersluidende afspraken hebben gemaakt. Ook maakt [gedaagde] bezwaar tegen de medegevorderde rente en (proces)kosten. 3.
- Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna (in De beoordeling) nog nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Niet in geschil is dat [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [eiseres] heeft hiervoor een totaalbedrag van € 3.113,93 aan [gedaagde] in rekening gebracht. Als verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij op grond van tussen partijen gemaakte afspraken de gevorderde factuurbedragen niet aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling bij conclusie van antwoord een creditfactuur van 30 september 2021 van € 3.675,38 overgelegd. [eiseres] heeft hierop als reactie in de conclusie van repliek naar voren gebracht dat de door [gedaagde] gestelde afspraak, waarop de creditfactuur van 30 september 2021 ziet, is gemaakt tussen [gedaagde] en [eiseres] B.V., zijnde het zusterbedrijf van [eiseres] . Daarbij heeft [eiseres] erop gewezen dat op de door [gedaagde] overgelegde factuur duidelijk de gegevens van ” [eiseres] B.V.” zijn vermeld en dat de in die creditfactuur genoemde facturen ook niet overeenkomen met de in rechtsoverweging 2.
- genoemde factuurnummers. [gedaagde] is in haar conclusie van dupliek in het geheel niet ingegaan op deze reactie van [eiseres] . Dat had wel op haar weg gelegen. Allereerst omdat de kantonrechter vaststelt dat de reactie van [eiseres] in de conclusie van repliek inhoudelijk juist is. Verder moet het verweer van [gedaagde] als een bevrijdend verweer worden beschouwd en de bewijslast van een zodanig verweer rust op haar. Nu [gedaagde] haar verweer, dat partijen zijn overeengekomen dat zij onderhavige facturen niet aan [eiseres] hoefde te betalen, ook niet op overige (deugdelijke) wijze heeft onderbouwd, zal de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaan. 4.
- De conclusie van het bovenstaande is dat de gevorderde hoofdsom van € 3.113,93 toewijsbaar is. De meegevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar. 4.
- [eiseres] maakt tevens aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buiten-gerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu (is gesteld dat) het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 436,39 aan buitengerechtelijke incassokosten komt ook overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 4.
- Wat verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking. 4.
- [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten van [eiseres] worden veroordeeld. Die kosten worden vastgesteld op € 1.123,41 (bestaande uit € 108,41 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht en € 528,- (2 punten van € 264,- per punt) aan salaris gemachtigde van [eiseres] ). 4.
- Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Dit betekent dat als [eiseres] na deze uitspraak ook nog kosten zou moeten maken (de nakosten), [gedaagde] daarvoor nog een bedrag zal moeten betalen van € 124,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de eventuele betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (Zie ECLI:NL: HR:2022:853,https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853). 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag te betalen van € 3.764,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.113,93 vanaf 10 augustus 2022 tot aan de dag van de volledige betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de proceskosten te betalen, vastgesteld op € 1.123,41; 5.
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.