← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2023:802

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Team strafrecht Locatie Middelburg parketnummer: 02-253832-22 rk-nummer: 22-026735 Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 23 november 2022, in de zaak: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , woonplaats kiezende ten kantore van mr. drs. N. Wouters, 4330 AG Middelburg, Postbus

  1. Verzoeker is [verzoeker] voornoemd. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:  het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 1.231,30, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 50,32, voor vergoeding van kosten voor het opnemen van een verlofdag in verband met een verhoor van verzoeker; € 2,80, voor vergoeding van reiskosten in verband met een verhoor van verzoeker; te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 5 oktober 2022; de schriftelijke reactie van de officier van justitie. Op 16 januari 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J.A. Castelein, en mr. drs. N. Wouters als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. In het verzoekschrift is aangevoerd dat de strafzaak tegen verzoeker is op 5 oktober 2022 geseponeerd. Verzoeker verzoekt om vergoedingen zoals hiervoor bij de procedure gemeld. Verzoeker heeft een gehele dag vrij moeten nemen omdat hij niet wist hoe lang het verhoor zou gaan duren. Zijn uurloon bedroeg € 6,
  2. De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding voor het opnemen van een verlofdag dient te worden afgewezen omdat de hoogte van het bedrag onvoldoende is onderbouwd. De gevraagde vergoeding van reiskosten dient eveneens te worden afgewezen nu deze kosten niet onder de reikwijdte van artikel 530 Sv vallen. De overige verzochte vergoedingen kunnen naar de mening van de officier van justitie worden toegewezen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer aangevoerd dat het verhoor vanaf 11.30 uur tot ongeveer 14.00 uur heeft geduurd. Verzoeker moest die dag werken. Het is niet gelukt een verklaring van de werkgever te krijgen omdat verzoeker op 30 juni 2022 uit dienst is gegaan, hetgeen blijkt uit de overgelegde loonstrook. In raadkamer heeft de officier van justitie zich met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor het opnemen van een verlofdag op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten voor zijn rekening zijn gekomen. De officier van justitie heeft zijn standpunt met betrekking tot de gevraagde vergoeding van reiskosten gehandhaafd. De officier van justitie vraagt om afwijzing van deze twee posten. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 1.231,30 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor het opnemen van een verlofdag in verband met een verhoor van verzoeker buiten de reikwijdte van artikel 530 Sv vallen. Om die reden wijst de rechtbank dit onderdeel van het verzoek af. Ten aanzien van de reiskosten in verband met een verhoor van verzoeker is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze buiten de reikwijdte van artikel 530 Sv vallen. Om die reden wijst de rechtbank ook dit onderdeel van het verzoek af. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 1.911,30, bestaande uit: - € 1.231,30 aan kosten van rechtsbijstand en - € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; wijst het verzoek voor het overige af; bepaalt dat een bedrag van € 1.231,30 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 1] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Wouters & Wouters Advocaten te Middelburg, onder vermelding van [betalingskenmerk 1] ”; bepaalt dat een bedrag van € 680,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 2] ten name van Wouters & Wouters advocaten, onder vermelding van “ [betalingskenmerk 2] ”. Deze beslissing is op 30 januari 2023 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zuidhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari
  3. INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.