RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-098141-22 vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2023 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] ,geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonadres] , raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 30 januari 2023, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 maart 2022 samen of alleen brand heeft gesticht in een (afval)container. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft samen met anderen opzettelijk brand gesticht in een container, waarbij gevaar voor goederen en personen is ontstaan. Verdachte en [medeverdachte] hebben van tevoren een plan gemaakt, zij zijn er samen met een derde persoon naartoe gegaan en uit de camerabeelden blijkt dat zij allemaal handelingen hebben verricht die bijgedragen hebben aan het stichten van de brand. 4.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van verdachte vindt dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen. Weliswaar hebben verdachte en [medeverdachte] elkaar voorafgaand aan de brand berichten gestuurd waarin wordt gesproken over het stichten van brand, maar dat hoeft niet brandstichten in strafrechtelijke zin te zijn. Verdachte heeft verklaard dat dit ook het in brand steken van papiertjes kan zijn. Verdachte is samen met twee anderen door Bergen op Zoom gefietst en een van de medeverdachten kwam met het idee om brand te stichten in de container. Op de camerabeelden is ook te zien dat niet verdachte, maar iemand anders de brand in de container heeft gesticht. Verdachte had een stuk karton bij zich, maar hij heeft dat niet op het vuur gegooid. Er was geen sprake van een concreet plan. Ook zonder verdachte was de brand gesticht. Hij is geen medepleger en dient daarom te worden vrijgesproken van deze brandstichting. Er is hooguit sprake van medeplichtigheid. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank moet beoordelen of verdachte opzettelijk samen met anderen de brand in de container heeft gesticht. Zij stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte erkent dat hij aanwezig was op het moment dat de brand werd gesticht, maar ontkent dat hij deze heeft aangestoken dan wel andere handelingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de brand. Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen volgt dat hij en zijn beide medeverdachten ( [medeverdachte] en een onbekende jongen) aanwezig waren bij de container op het moment dat daarin brand uitbrak. Op camerabeelden is te zien dat zij komen aanfietsen en dat verdachte een stuk karton bij zich heeft. Verdachte stopt als eerste bij de container en het deksel van de container gaat omhoog. Vervolgens stopt de onbekende jongen bij de container en komt ook [medeverdachte] in beeld. Verdachte houdt het deksel omhoog, terwijl [medeverdachte] iets in de container tilt. De onbekende jongen zet tegelijkertijd een stoel in de container waardoor het deksel open blijft staan. Ook is op de beelden te zien dat [medeverdachte] bij de container staat, achteruit stapt en dat direct daarna een kleine vlam in de container te zien is. Vervolgens kijken zij alle drie bij de vlam in de container. De vlam wakkert aan en binnen vier minuten komen er grote vlammen uit de container. Verdachte filmt de brand. Uit dit handelen van verdachte volgt naar het oordeel van de rechtbank dat hij een rol heeft gehad bij het stichten van de brand. Uit de omstandigheid dat verdachte geen hulp inroept en de brand filmt, leidt de rechtbank af dat het ook de bedoeling van verdachte was dat deze brand zou ontstaan. De rol en intentie van verdachte blijkt ook uit de WhatsApp berichten die de politie heeft aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] waaruit volgt dat verdachte en [medeverdachte] een paar uur voor de brand hebben gesproken over het stichten van brand in Bergen op Zoom. Er was op dat moment mogelijk nog geen sprake van een concreet plan, maar zij waren wel op zoek naar iets dat zij in brand konden steken. Dat dit slechts om papiertjes zou gaan acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede gelet op de verklaring van verdachte dat hij eerder ook bij een brandstichting in een container in Roosendaal aanwezig is geweest. Ook uit de berichten die twee dagen na de brand tussen verdachte en [medeverdachte] zijn verstuurd blijkt van overleg en samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Voornoemde feiten en omstandigheden geven – in onderling verband en in samenhang bezien – naar hun uiterlijke verschijningsvorm blijk van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bij de brandstichting in de container. De omstandigheid dat [medeverdachte] de feitelijke brandstichtende handelingen heeft verricht, doet niet af aan de gezamenlijke uitvoering. Daarmee verwerpt de rechtbank het verweer van de advocaat en acht zij zowel het tenlastegelegde opzet als het medeplegen wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 maart 2022 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een afvalcontainer, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de inhoud van bovengenoemde afvalcontainer en een stoel die op bovengenoemde afvalcontainer lag en het pand gelegen aan de [adres] , alwaar die bovengenoemde afvalcontainer naast stond/was geplaatst, en - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in de aan de [adres] aangrenzende/aansluitende woning aanwezige persoon te duchten was. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de leerstraf So-Cool van 40 uur en daarnaast een werkstraf van 80 uur, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ter zitting geadviseerde bijzondere voorwaarden. Zij heeft bij haar vordering rekening gehouden met de ernst van het feit, het belaste verleden en de jonge leeftijd van verdachte en heeft daarom geen jeugddetentie geëist. 6.2 Het standpunt van de verdediging De advocaat van verdachte heeft integraal vrijspraak bepleit voor het aan verdachte tenlastegelegde. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt bepleit hij aan verdachte de leerstraf So-Cool op te leggen, een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een geheel voorwaardelijk werkstraf. Een onvoorwaardelijke werkstraf vindt hij niet op zijn plaats, omdat verdachte deze niet zelfstandig kan uitvoeren. Verdachte staat op de wachtlijst voor een open groep en het is de vraag of zij hem van daaruit kunnen ondersteunen bij het uitvoeren van een werkstraf. De door de Raad geadviseerde voorwaarden vindt hij niet voldoende concreet. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan brandstichting. Zij hebben de inhoud van een container, die tegen een houten deur van een brasserie stond, in brand gestoken. Wat het opzettelijk brand stichten zo ernstig maakt, is dat de gevolgen ervan volstrekt niet te overzien zijn. Brand is onvoorspelbaar. Door het stichten van brand heeft verdachte risico’s genomen en is gevaar ontstaan voor de goederen in de buurt van die container, het pand waar de container tegen aan stond en voor de buurtbewoonster die op dat moment in de aangrenzende woning lag te slapen. In de dakbeplating van de brasserie was brandontwikkeling gaande. Wanneer deze brand niet tijdig was ontdekt en was overgeslagen naar de aangrenzende woning dan had dit een dodelijke afloop kunnen hebben voor die bewoonster. Verdachte heeft door brand te stichten een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen en veel hinder en schade veroorzaakt bij de eigenaar van de brasserie maar ook levensgevaar veroorzaakt voor de buurtbewoonster. Uit het rapport van de Raad van 5 januari 2023 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en hechtingsproblematiek. Verdachte is opgegroeid in een onveilige situatie en er was sprake van verwaarlozing. Vanwege de zorgelijke situatie is hij in juni 2018 uit huis geplaatst. Hij heeft in verschillende pleeggezinnen gewoond alvorens hij in september 2021 gesloten is geplaatst bij [jeugdzorginstelling] . Zijn ouders zijn nauwelijks bij hem betrokken. Hij heeft feitelijk niemand. Verdachte is een kwetsbare en beïnvloedbare jongen, maar er is ook sprake van impulsiviteit. Hij heeft een positief beeld van zichzelf en een wens voor een betere toekomst, maar hij heeft weinig zelfinzicht. Hij laat weinig (moreel) besef zien. Verdachte heeft leerdoelen, maar hij staat uit zichzelf niet open voor hulpverlening. De kans op herhaling van strafbare feiten wordt hoog ingeschat. De raadsvertegenwoordigster heeft tijdens de zitting het in het rapport gegeven advies gewijzigd. Zij adviseert, bij een bewezenverklaring, aan verdachte op te leggen de leerstraf So-Cool in plaats van Tools4U, gelet op zijn verstandelijke beperking. Daarnaast vindt zij een voorwaardelijk straf met een proeftijd van twee jaar passend met als bijzondere voorwaarden dat verdachte moet meewerken aan het vinden en behouden van passend onderwijs en een passende dag- en vrijetijdsbesteding. Daarnaast moet hij meewerken aan hulpverlening gericht op emotie- en agressieregulatie en het aanleren van handvatten indien de jeugdreclassering dit na het afronden van de leerstraf So-Cool nog noodzakelijk vindt. Zij realiseert zich dat deze voorwaarde ruim geformuleerd is, maar gelet op de verwachte verhuizing van verdachte naar [plaats] kan deze voorwaarde niet concreter worden gemaakt. Een onvoorwaardelijke werkstraf is uitvoerbaar, maar verdachte zal daar wel bij ondersteund moeten worden wil deze kans van slagen hebben. De voogd heeft naar voren gebracht dat verdachte moeite heeft met het zich houden aan afspraken. Zij vermoedt dat hij wordt overvraagd. Verder is hij heel erg beïnvloedbaar. Hij staat op de wachtlijst voor een open groep in [plaats] , maar de plaatsingsdatum is nog niet bekend. De machtiging gesloten jeugdhulp is verlengd tot eind maart. Een werkstraf zou uitgevoerd kunnen worden vanuit [jeugdzorginstelling] . Verdachte heeft geen problemen met agressie, wel moet hij leren omgaan met zijn emoties en schieten zijn probleemoplossende vaardigheden te kort en is ook zijn beïnvloedbaarheid en impulsiviteit een probleem. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de achtergrond van verdachte en zijn problematiek in aanmerking alsmede het feit dat verdachte nog jong is en niet eerder is veroordeeld. Alles afwegende acht zij de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Zij zal aan verdachte de leerstraf So-Cool Regulier opleggen en daarnaast een werkstraf van 80 uur met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een deel van de werkstraf, te weten 60 uur, zal voorwaardelijk worden opgelegd en dient als steun in de rug voor verdachte om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan de voorwaardelijke werkstraf worden conform het advies van de Raad bijzondere voorwaarden verbonden, zij het gedeeltelijk anders geformuleerd, om op die manier de noodzakelijk begeleiding voor verdachte mogelijk te maken. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 25.449,86 voor materiële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag ziet op de volgende posten: - de huur van een bouwdroger € 662,41 inclusief BTW; - terrasstoel € 89,00; - herstelwerkzaamheden € 7.948,45 inclusief BTW; - gemiste omzet € 15.250,00 inclusief BTW; - uitbetaling uren schoonmaak hulp vrienden € 1.500,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.