RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/5793 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] GmbH, gevestigd te [plaats 1] (Duitsland), belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 november 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 130.000. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.273 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 5.514 opgelegd (de boetebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende vergezeld door de heer [naam 1] ter bijstand, en namens de inspecteur, mr. drs. [inspecteur 1] , mr. drs. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb 2019 naar een te hoog bedrag is opgelegd en of de belastingrente- en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag Vpb 2019 niet naar een te hoog bedrag is opgelegd en dat de belastingrente- en boetebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Feiten 4. Belanghebbende is een vennootschap naar Duits recht. De aandelen worden voor 100% gehouden door mevrouw [naam 2] . Zij is ook bestuurder van deze vennootschap. 4.1. Op 23 januari 2015 heeft belanghebbende een onroerende zaak (een woning) gelegen aan de [adres] te [plaats 2] (de onroerende zaak) gekocht voor een bedrag van € 315.000. 4.2. Mevrouw [naam 2] staat vanaf 10 maart 2005 tot heden bij de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de onroerende zaak. 4.3. Op 30 januari 2019 heeft belanghebbende de onroerende zaak verkocht aan de heer [naam 3] voor een bedrag van € 445.000. De heer [naam 3] is de huisgenoot van mevrouw [naam 2] (geen fiscaal partner). 4.4. De WOZ-waarde van de onroerende zaak bedroeg op de peildatum 1-1-2015 € 369.000 en op de peildatum 1-1-2019 € 445.000. 4.5 De inspecteur heeft alle correspondentie met betrekking tot belanghebbende naar het woonadres van mevrouw [naam 2] (zijnde het adres van de onroerende zaak) verzonden. 4.5. De inspecteur heeft met betrekking tot de uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb over het jaar 2019 en de daaropvolgende herinnering en aanmaning een Rapport Datum Verzending overgelegd. 4.6. Belanghebbende heeft geen aangifte Vpb voor het jaar 2019 gedaan. Ook in de jaren 2015 tot en met 2018 heeft belanghebbende geen aangiften Vpb ingediend. Over de jaren 2015 t/m 2018 zijn door de inspecteur ambtshalve aanslagen Vpb opgelegd. Tevens zijn over die jaren verzuimboeten opgelegd. 4.7. Van hetgeen op zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden. OverwegingenNieuw ingenomen standpunt van belanghebbende ter zitting 5. Belanghebbende heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat bij de verkoop van de woning in 2019 sprake was van een onzakelijke transactie waardoor de woning voor een te hoog bedrag door belanghebbende verkocht is. De inspecteur heeft zich hiertegen verzet en gesteld dat deze nieuwe stellingname tardief is omdat dit een nader onderzoek naar de feiten op het moment van verkoop van de woning vergt. 5.1. De rechtbank heeft ter zitting geoordeeld dat de nadere stellingname van belanghebbende als tardief terzijde moet worden gesteld. Gelet op het procesverloop valt niet in te zien waarom deze stelling niet eerder is ingenomen dan ter zitting. Het zo laat innemen van het nieuwe standpunt van belanghebbende is in strijd met de goede procesorde gelet op de omstandigheid dat dit een nader onderzoek van feitelijke aard vergt door de inspecteur om adequaat te kunnen reageren - immers bevat het dossier geen informatie over de gang van zaken bij de verkoop van de woning in 2019 - en er geen dragende reden is gegeven waarom deze stelling niet redelijkerwijs (veel) eerder kon worden ingenomen. Om die reden heeft de rechtbank de stelling van belanghebbende tardief verklaard. Is belanghebbende op de juiste wijze uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb voor het jaar 2019? 5.2. Belanghebbende is buitenlands belastingplichtig voor de Vpb omdat zij vanwege de eigendom van een in Nederland gelegen onroerende zaak inkomen uit een in Nederland gedreven onderneming verkrijgt. 5.3. De uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb van een niet in Nederland gevestigde vennootschap kan, naast verzending aan het adres van de vennootschap zelf, ook worden verzonden naar de woning of het kantoor van de in Nederland wonende vertegenwoordiger.De bevoegdheden van een lichaam in het kader van de belastingheffing in Nederland kunnen worden uitgeoefend door iedere bestuurder. De rechtbank stelt vast dat mevrouw [naam 2] als bestuurder van belanghebbende de bevoegdheid heeft deze te vertegenwoordigen. 5.4. De rechtbank is daarom van oordeel dat de uitnodiging van belanghebbende tot het doen van aangifte Vpb 2019 door de inspecteur terecht naar het woonadres van mevrouw [naam 2] is verzonden. 5.5. De inspecteur heeft door overlegging van het Rapport Datum Verzending aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte Vpb 2019. Op grond van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, behoeft volgens de rechtbank aan aanbieding of ontvangst hiervan redelijkerwijs niet getwijfeld te worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte Vpb 2019 niet heeft gedaan. Is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast? 5.6. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte Vpb 2019 niet heeft gedaan, is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. 5.7. Is de belastbare winst uit een in Nederland gedreven onderneming terecht en tot een juist bedrag vastgesteld? 5.8. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.