RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/065290-23 vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , raadsman mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 februari 2024, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel openlijk en in vereniging geweld tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij verzoekt verdachte van het primair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot doodslag en van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot zware mishandeling vrij te spreken. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot doodslag en van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van poging tot zware mishandeling en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Wel kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vaststelling van de feiten Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat er op 15 oktober 2022 in het centrum van Terneuzen aan de Nieuwstraat een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] betrokken zijn geweest. [slachtoffer] is hierbij meerdere keren met kracht tegen zijn hoofd gestompt en meerdere keren met geschoeide voet en met kracht tegen zijn lichaam geschopt en op zijn hoofd gestampt, terwijl hij op de grond lag. De aanleiding van deze vechtpartij was een incident dat kort daarvoor had plaatsgevonden tussen een neef van verdachte en [slachtoffer] . Het primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde: (mede)plegen van poging tot doodslag en (mede)plegen van poging tot zware mishandeling De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal van de politie en het forensisch-medisch onderzoek van het NFI, waarin de camerabeelden van het incident zijn beschreven, vast dat verdachte in ieder geval twee keer een schoppende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer] terwijl die op de grond ligt. Op basis van de beschrijving van de camerabeelden door de politie, de zich in het dossier bevindende ‘stills’ in combinatie met de bevindingen van het NFI, waaruit volgt dat een door verdachte gegeven schop tegen de voorzijde van het lichaam/hoofd van [slachtoffer] een onzekere impactplaats heeft, is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen waar verdachte [slachtoffer] precies heeft geraakt, dat hij [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geraakt en met hoeveel kracht hij [slachtoffer] heeft geraakt. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door de geweldshandelingen van verdachte zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier blijkt dat alleen [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een poging tot doodslag op het moment dat hij [slachtoffer] met kracht op zijn hoofd stampte, nadat hij van hem was weggelopen en weer was teruggelopen. Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat er op die momenten sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en anderen, gericht op de dood van [slachtoffer] , zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van medeplegen van poging tot doodslag. Verder blijkt uit het dossier dat alleen [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een poging tot zware mishandeling door tegen het lichaam van [slachtoffer] te schoppen en te stompen. Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van medeplegen van poging tot zware mishandeling. Het subsidiair ten laste gelegde: openlijke geweldpleging Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging in vereniging is onder andere vereist dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte in ieder geval twee keer op de openbare weg in de richting van [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl hij op de grond lag. Daarnaast is ook door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] geweld gepleegd tegen [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat tegen [slachtoffer] werd gebruikt. Bij openlijke geweldpleging in vereniging maakt het in beginsel niet uit wie welk geweld heeft gebruikt, zodat het geweld gepleegd door de medeverdachten ook voor rekening van verdachte komt. Conclusie Gelet hierop acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte subsidiair: op 15 oktober 2022 te Terneuzen openlijk, te weten, in de Nieuwstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam te slaan en stompen en meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het lichaam te schoppen en trappen en meermalen met kracht met geschoeide voet op het hoofd te stampen. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met de volgende omstandigheden. Toen verdachte vernam dat hij door de politie werd gezocht, heeft hij meteen contact opgenomen met de politie. Hij heeft in zijn verklaring bij de politie spijt betuigd ten aanzien van het geweld dat heeft plaatsgevonden. In het kader van de persoonlijke omstandigheden is aangevoerd dat verdachte werkzaam is als internationaal vrachtwagenchauffeur en sinds 2017 een vrachtwagenrijbewijs heeft, maar nog niet zo lang voor zijn huidige werkgever werkt. Verdachte en zijn partner werken hard, zodat alles later goed is geregeld voor hun kinderen en kleinkinderen. Verder is volgens de verdediging van belang dat het geweldsincident veel indruk op verdachte heeft gemaakt en hij sindsdien niet meer uitgaat, maar in zijn vrije tijd veel thuis is. Tot slot acht zij van belang dat verdachte ‘first offender’ is ten aanzien van het feit. Hij ziet zelf ook in dat het geweld niet had mogen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande en gelet op de straf die [medeverdachte 4] - die een vergelijkbare rol in het geweldsincident had - heeft opgelegd gekregen, verzoekt de verdediging aan verdachte dezelfde straf op te leggen, te weten een werkstraf voor de duur van 50 uren. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De aard en de ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] . Hij heeft [slachtoffer] ’s nachts op straat, terwijl hij door geweldshandelingen van anderen op de grond lag, geschopt. Verdachte heeft door op deze manier te handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] niet ernstiger gewond is geraakt, is niet aan verdachte te danken geweest. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gepleegde geweld kunnen ondervinden. Bovendien heeft het geweldsincident zich in het openbaar, namelijk buiten op straat in een druk uitgaansgebied, afgespeeld, waardoor ook omstanders daarmee zijn geconfronteerd. Ook voor hen kan dit een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 28 december 2023, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder houdt de rechtbank rekening met het rapport van de reclassering van 24 januari 2024, waarin deze heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het risico op recidive, op letsel en op onttrekking aan voorwaarden wordt als laag ingeschat. Straf Gelet op het voorgaande en gelet op de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd en dan met name de straf die aan [medeverdachte 4] is opgelegd, die een min of meer vergelijkbare rol in het geweldsincident heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is om aan verdachte een taakstraf voor de duur van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis op te leggen. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten; Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 50 (vijftig) uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 (vijfentwintig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. de Boer, voorzitter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. J. Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 februari 2024. Mr De Boer en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.