← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:1115

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10889401 \ VV EXPL 24-4 Vonnis in kort geding van 20 februari 2024 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. drs. M.J. Wolf, tegen [gedaagde] , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet in rechte verschenen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 25 januari 2024, - de mondelinge behandeling van 13 februari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
  2. Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2De feiten 2.
  3. [gedaagde] huurt sinds 15 februari 2019 voor onbepaalde tijd de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] . 2.
  4. Op 15 november 2023 heeft [eiser] met betrekking tot [gedaagde] een vroegsignalering van schulden gemeld bij de gemeente Vlissingen. 3Het geschil 3.
  5. [eiser] vordert – samengevat – ontruiming van de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] . 3.
  6. [eiser] legt aan de vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Vanaf de aanvang van de huurovereenkomst werd de huur door [gedaagde] regelmatig niet op tijd betaald. In 2022 heeft [gedaagde] geklaagd over gebreken aan de woning. In 2023 zijn de gebreken in de woning verholpen. [gedaagde] betaalt sinds juli 2023 geen huur meer en gerekend tot 25 januari 2024 is er een huurachterstand van € 7.102,
  7. [gedaagde] is aangemaand tot betaling van de huurachterstand, maar hij heeft niets betaald. [gedaagde] is door zijn handelen meerdere malen tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. De bodemprocedure is inmiddels aanhangig en in die procedure is [gedaagde] niet verschenen. Die zaak staat op de rol voor het wijzen van vonnis. De vordering van [eiser] tot ontruiming van de woning is gelet op het voorgaande gerechtvaardigd. 4De beoordeling 4.
  8. Uit de overgelegde originele dagvaarding is gebleken dat [gedaagde] correct voor de zitting is opgeroepen. Ook aan de overige bij wet voorgeschreven formaliteiten is voldaan, zodat verstek wordt verleend tegen [gedaagde] . 4.
  9. Het toewijzen van een vordering tot ontruiming in kort geding is alleen mogelijk indien met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid de bodemrechter tot eenzelfde oordeel zal komen. Ook dient daarbij een spoedeisend belang te zijn bij de eisende partij. 4.
  10. Het spoedeisend belang is door [gedaagde] niet betwist en volgt daarnaast uit de aard van de vordering. De kantonrechter kan om die reden de vordering van [eiser] in behandeling nemen. 4.
  11. Inmiddels is de huurachterstand meer dan drie maanden aangezien de huur € 1.170,48 per maand bedraagt. Een dergelijke achterstand rechtvaardigt vooruitlopend op de uitkomst in de bodemprocedure de gevorderde ontruiming. De vordering komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen met uitzondering van het volgende. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op twee weken na betekening van dit vonnis. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren dan wel met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. proceskosten 4.
  12. [gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op: - kosten van de dagvaarding € 136,67 - griffierecht € 87,00 - salaris gemachtigde € 543,00 Totaal € 766,67 De nakosten die door [eiser] worden gevorderd, worden hierna in de beslissing begroot. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 766,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis begroot op € 135,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien de nakosten niet binnen deze termijn worden betaald; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.