RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/079650-23 vonnis van de meervoudige kamer van 27 februari 2024 in de strafzaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] wonende op het [woonadres] raadsman: mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is namens de benadeelde partij, [benadeelde] , de vordering tot schadevergoeding toegelicht door mr. J. Donze en mr. H.W.A.A. de Jong. Het onderzoek ter zitting is gesloten op 27 februari 2024, waarna direct uitspraak is gedaan. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging, het verrichten van handelingen die de verklaringsvrijheid van personen kunnen belemmeren en een bedreiging met terroristisch oogmerk, dan wel het doen van een valse bommelding. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Verdachte en zijn broer, [medeverdachte 1] , hebben zich, tezamen en in vereniging, schuldig gemaakt aan bedreiging en aan beïnvloeding van een getuige in de persoon van [getuige] . Het bewijs hiervoor bestaat uit de aangifte, de telefoongegevens van de broers, de camerabeelden van het openbaar vervoer en de verklaring van verdachte zelf. De aangifte is direct na de feiten opgenomen. De politie heeft de daarmee gepaard gaande emoties van [getuige] waargenomen en beschreven. De gebezigde bewoordingen zijn naar hun aard bedreigend en ook als zodanig overgekomen. Deze uitlatingen hebben er tevens toe geleid dat de verklaringsvrijheid van [getuige] , ten overstaan van de politie, op ernstige wijze is aangetast. De feiten 1 en 2 kunnen dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. Het onder feit 3 primair ten laste gelegde kan eveneens worden bewezen. Gelet op de gebruikte bewoordingen en omstandigheden gaat het om een geloofwaardige bedreiging met een terroristisch misdrijf. Verdachte is gelet op de verklaring van [getuige] degene die [medeverdachte 2] heeft benaderd om de telefonische oproepen te doen waarbij met een terroristische aanslag is gedreigd. Hij heeft hem daarvoor betaald en die bewuste avond is er ook een ontmoeting geweest. Die belastende verklaring van [getuige] over verdachte is op een aantal punten geverifieerd door de politie en blijkt op die punten juist te zijn. Het aanstralen van de telefoon van [medeverdachte 2] rondom het moment van de bommeldingen ondersteunt die verklaring ook. [medeverdachte 2] heeft nadien in een audio- en videogesprek, vanuit Barcelona, met verdachte over het feit en de aanhouding van [getuige] gesproken. Verdachte houdt zich in dat gesprek bewust van de domme. [medeverdachte 2] heeft in de Teliogesprekken vanuit het huis van bewaring over dit feit gesproken en het lijkt erop dat daarin wordt gehint in de richting van verdachte, zonder dat zijn naam wordt genoemd. Verdachte heeft druk op [medeverdachte 2] uitgeoefend om hem te bewegen een andere advocaat te nemen en een beroep te doen op zijn zwijgrecht bij de politie. Ook op [getuige] heeft hij, zoals blijkt uit feit 1 en 2, druk uitgeoefend. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, zijn voldoende voor een bewezenverklaring. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de verklaring van [getuige] als onbetrouwbaar moet worden beschouwd en niet in de bewijsvoering betrokken kan worden. [getuige] blowt veelvuldig en zijn verklaring is gebaseerd op grootspraak die, bij nadere beschouwing, innerlijk tegenstrijdig is. Hij belast onterecht de andere verdachten, verspreekt zich ook en heeft niet consistent verklaard. [getuige] heeft een belang in deze strafzaak, gelet op zijn mogelijke betrokkenheid bij het feitencomplex van feit 3, waardoor behoedzaam met zijn verklaring dient te worden omgesprongen. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op het adagium unus testis en het bewijsminimum in artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering. De bewijsmiddelen ondersteunen de verklaring van [getuige] niet. Verdachte heeft geen opdracht gegeven voor de valse bommelding en dient van dit feit vrijgesproken te worden. Verdachte heeft [getuige] ook niet bedreigd (feit 1) en evenmin geprobeerd om hem zijn eerdere verklaring te laten intrekken (feit 2). Ook voor deze feiten moet de verklaring van [getuige] onbetrouwbaar worden geacht. Verdachte heeft [getuige] alleen om uitleg gevraagd, nu de naam van verdachte onterecht in verband gebracht wordt met het drugsmilieu en zijn veiligheid in gevaar is. Dit is een alternatief scenario. Bovendien falsificeren de camerabeelden de aangifte van [getuige] volledig. De emoties die de politie heeft waargenomen bij [getuige] ondersteunen de aangifte niet of nauwelijks. Er heeft geen fysieke of verbale bedreiging plaatsgevonden. Er is verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. Mocht de rechtbank alsnog overwegen dat [getuige] voldoende betrouwbaar heeft verklaard en dat zijn verklaring bruikbaar is voor het bewijs, zonder daaraan de eis van extra behoedzaamheid te stellen, dan luidt het voorwaardelijk verzoek om [getuige] als getuige ter zitting te horen zodat de rechtbank zijn betrouwbaarheid zelf kan beoordelen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt ten aanzien van het onder feit 3 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde. Hoewel er wel degelijk aanknopingspunten zijn in het dossier om aan te nemen dat verdachte op enigerlei wijze bij de bommelding is betrokken, kan niet zonder meer worden vastgesteld welke rol hij precies heeft vervuld. De verklaring van [getuige] is niet specifiek genoeg voor zover het de beweerdelijke gedragingen betreft die door verdachte zouden zijn begaan. Bovendien verklaart hij niet uit eigen wetenschap over verdachte, maar over wat hij heeft gehoord van medeverdachte [medeverdachte 2] . Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [getuige] de enige persoon is die een belastende verklaring over verdachte heeft afgelegd. Er is onvoldoende (objectief) ondersteunend bewijs om de strafbare betrokkenheid van verdachte bij dit feit te kunnen duiden. Bij deze stand van zaken dient verdachte dan ook integraal te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 3 ten laste is gelegd. 4.3.2 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.3 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1 en feit 2 Juridisch kader feit 1 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling terzake van bedreiging vereist dat de bedreigde van de bedreiging op de hoogte is geraakt en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, ook gepleegd zou worden. Het opzet van verdachte moet gericht zijn op deze beide aspecten. Het is niet vereist dat de dader het voornemen heeft gehad om de bedreiging ook te realiseren. Juridisch kader feit 2 De strekking van artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht is dat wordt voorkomen dat getuigen door dreigementen of op andere manieren worden beïnvloed en daardoor niet meer in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, bij de rechter of bij een (politie)ambtenaar. De strafbaarstelling ziet -gelet op de wetsgeschiedenis- ook op de beïnvloeding van een getuige om terug te komen op een eerder afgelegde verklaring, dan wel die verklaring te wijzigen. Voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld is om de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden. Het is niet vereist dat komt vast te staan dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid. Feiten en omstandigheden [getuige] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 24 februari 2023 op de tram is gestapt en daar [medeverdachte 1] is tegengekomen. Deze medeverdachte maakte contact met hem, waarna hij aan [getuige] zou hebben gevraagd waarom hij over zijn broer ( [verdachte] ) een verklaring heeft afgelegd. [medeverdachte 1] heeft vervolgens via Snapchat zijn broer gebeld. Verdachte zou onder andere het volgende tegen [getuige] hebben gezegd: "Je hebt gepraat over grote cocaïnehandel. Als jij het echt hebt verlinkt, en jij gaat niet nu naar het politiebureau om jouw verklaring in te trekken en te vertellen dat er niks van waar is, dan komen ze je vermoorden." Daarna heeft verdachte schreeuwend aan [getuige] te verstaan gegeven: "Je hebt zeven dagen de tijd om bij [naam] een verklaring van bij de politie achter te laten, zodat ik kan zien dat je verteld hebt dat er niks van waar is. Als je dit niet doet dan ga je dood." [getuige] heeft de toezegging gedaan dat hij zijn verklaring zal intrekken, waardoor verdachte gekalmeerd is geraakt. Verdachte is telkens aan de lijn gebleven en de [medeverdachte 1] is voortdurend met [getuige] meegelopen. [getuige] is door hetgeen dat is voorgevallen bang dat hij gedood zal worden. Hij is onmiddellijk naar het politiebureau gegaan en heeft aangegeven te zijn bedreigd. De baliemedewerker van de politie heeft geverbaliseerd dat [getuige] bij binnenkomst geëmotioneerd en nerveus is. Bij het opnemen van de aangifte heeft een andere verbalisant eveneens geconstateerd dat hij emotioneel en angstig is overgekomen. Op de camerabeelden van het openbaar vervoer is vastgelegd dat [medeverdachte 1] en [getuige] elkaar in de tram zijn tegengekomen. [medeverdachte 1] is met zijn hoofd dichtbij het hoofd van [getuige] gekomen en hangt als het ware over [getuige] heen. Op basis van de opnamen kan worden geconcludeerd dat deze medeverdachte voortdurend in de nabijheid van [getuige] is gebleven. Uit de mimiek van [getuige] is af te leiden dat hij in discussie is gegaan met de verdachten. Het is duidelijk te zien op de beelden dat [getuige] richting een mobiele telefoon heeft gepraat, die soms door [medeverdachte 1] en soms door hemzelf wordt vastgehouden. [getuige] heeft meermalen met zijn handen gebaren gemaakt. Uit onderzoek naar de telefoonhistorie van [medeverdachte 1] is naar voren gekomen dat hij op 24 februari 2023, via Snapchat-video, meermalen contact heeft gehad met zijn broer [verdachte] . Er zijn vier gesprekken gevoerd. De gespreken zijn wisselend in duur: van minimaal 26 seconden tot maximaal vier minuten. Verdachte heeft bij de politie erkend dat hij, via zijn broer, telefonisch contact heeft gehad met [getuige] . [verdachte] heeft toegegeven boos te zijn geworden en daarbij ook met stemverheffing te hebben gesproken. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat [getuige] aangifte heeft gedaan en aanvullend is verhoord. Hij heeft verklaard zich door de bewoordingen die door verdachte zijn gebruikt in zijn richting, alsook door het gegeven dat [medeverdachte 1] voortdurend in zijn nabijheid verkeerde en hem controleerde, bedreigd te hebben gevoeld. Hem is door de verdachten opgedragen om een eerdere verklaring te wijzigen. De rechtbank zal hierna moeten onderzoeken of de verklaring van [getuige] hierover voldoende betrouwbaar is en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat [getuige] onder ede bij de rechter-commissaris is gehoord en daarbij opnieuw een getuigenverklaring heeft afgelegd. Deze getuigenverklaring bevestigt, zeker op hoofdlijnen, de aangifte en het aanvullend verhoor. [getuige] geeft immers opnieuw aan dat hij door de medeverdachte fysiek en door verdachte telefonisch is benaderd in het openbaar vervoer. Zij willen dat hij een eerder afgelegde verklaring bij de politie gaat aanpassen. Hij krijgt daarvoor een week de tijd en [getuige] is daarbij met de dood bedreigd. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat [getuige] wel consistent en gedetailleerd heeft verklaard over hetgeen er heeft plaatsgevonden. Weliswaar bevatten de verklaringen verschillen, maar deze verschillen zijn niet zodanig groot dat zijn verklaring als onbetrouwbaar kan worden aangemerkt. Het is zelfs logisch -en in de jurisprudentie aanvaard- dat verklaringen op ondergeschikte onderdelen van elkaar kunnen verschillen, als deze op andere momenten in de tijd worden afgelegd. In de tweede plaats acht de rechtbank het van groot gewicht dat [getuige] vrijwel direct na de ontmoeting met [medeverdachte 1] naar het politiebureau is gegaan en aangifte heeft gedaan. Er is door twee verbalisanten, afzonderlijk van elkaar, aangegeven dat [getuige] hevig geëmotioneerd en angstig is overgekomen. De hevige emoties en angst zijn een voorstelbaar gevolg van de impact die een bedreiging met de dood kan hebben. De rechtbank leidt uit de bevindingen van de verbalisanten af dat [getuige] , in ieder geval op hen, een oprechte en authentieke indruk heeft achtergelaten. Daarbij komt dat [getuige] meteen na het incident aangifte heeft gedaan, dus op het moment dat de emoties nog vers waren. Hij heeft geen geruime tijd gehad om een opzetje te bedenken om verdachte en diens broer iets ten onrechte in de schoenen te schuiven, zoals de verdediging impliceert. In de derde plaats wordt de aangifte deels ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Hij heeft immers bij de politie erkend dat hij boos is geworden op aangever en hem met stemverheffing heeft toegesproken. Volgens verdachte is de achterliggende reden gelegen in de eerdere verklaring die [getuige] heeft afgelegd over hem, die hem in de problemen heeft gebracht. Hiermee moest iets worden gedaan, aldus verdachte in zijn politieverhoor. [verdachte] heeft dus onderschreven dat het gesprek met [getuige] tot agitatie heeft geleid en geeft ook toe dat de verklaring van [getuige] daar debet aan is. Het lijkt er ook op dat hierover vooraf is nagedacht. [getuige] heeft namelijk al in zijn derde verhoor verklaard, op 19 januari 2023, dat hij is benaderd door [medeverdachte 1] . Hij zou hem hebben verteld dat [verdachte] is aangehouden. [medeverdachte 1] zou destijds [getuige] te verstaan hebben gegeven zijn verklaring bij de politie op te halen, zodat zij konden lezen of hij iets over [verdachte] had verklaard. Anders dan de verdediging vindt de rechtbank deze verklaring van [getuige] niet onverenigbaar met het feit dat [verdachte] op dat moment in beperkingen zat. Deze gang van zaken kan gezien worden als voorbode voor hetgeen is voorgevallen op de pleegdatum op 24 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.