← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2024:1220

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/1801 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2024 in de zaak tussen [naam verzoekster], uit [vestigingsplaats verzoekster], verzoeker (gemachtigde: mr. S. Schilder), en de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 23 februari 2024 tegen de intrekking van de Alcoholwetvergunning ten behoeve van [naam verzoekster] aan [adres verzoekster] te [vestigingsplaats verzoekster].
  2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  3. Verzoeker heeft al eerder een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 24/1304 VV. Naar aanleiding van dat verzoek om voorlopige voorziening heeft een voorzieningenrechter van deze rechtbank op 30 januari 2024 bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit geschorst tot uiterlijk een week na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Het verzoek in zaaknummer BRE 24/1304 VV is vervolgens inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari
  4. De voorzieningenrechter in die procedure heeft geen aanleiding gezien om de getroffen ordemaatregel verder te verlengen. Dat betekent dat de laatste dag van de werking van de ordemaatregel 27 februari 2024 is, en dat daarna het intrekkingsbesluit herleeft.
  5. Op het verzoek in zaaknummer BRE 24/1304 VV is nog geen uitspraak gedaan. Verzoeker zal die uitspraak moeten afwachten. Omdat het onderzoek in die procedure ter zitting is gesloten, heeft de voorzieningenrechter de brief van 23 februari 2024 aangemerkt als een nieuw verzoek om voorlopige voorziening.
  6. De Awb biedt de mogelijkheid om, hangende een lopende beroepsprocedure, een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, maar het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening terwijl er nog een voorzieningenprocedure loopt, is niet mogelijk. Conclusie en gevolgen
  7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 26 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBZWB:2024:497

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.