RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/4074 WABOA uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2024 in de zaak tussen mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college. Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een draaipoort en een schuifhek. 1.2 Met het bestreden besluit van 11 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. 1.3 Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 2 De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.2 De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Feiten en omstandigheden 4.1 Op 29 augustus 2022 heeft [vergunninghouder] B.V. (hierna: vergunninghouder) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een draaipoort en een schuifhek op het [adres] te [plaats] (hierna: adres) 4.2 Op 9 september 2022 heeft eiser prematuur bezwaar gemaakt tegen de aangevraagde omgevingsvergunning. 4.3 Het college heeft met het besluit van 15 februari 2023 de omgevingsvergunning verleend. 4.4 De commissie voor de bezwaarschriften (hierna: commissie) heeft op 19 juni 2023 een advies uitgebracht en vastgesteld dat het bezwaar is aangehouden tot het besluit van 15 februari 2023 en dat daarmee het bezwaar tijdig is ingediend. De commissie heeft geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 15 februari 2023 in stand te laten onder verbetering van de grondslag. Verleende omgevingsvergunning 5 De vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, waardoor het college de omgevingsvergunning voor strijd met het bestemmingsplan heeft verleend middels de kruimelgevallenregeling en haar beleidsregels. Eiser bestrijdt de toepasselijkheid van de kruimelgevallenregeling en de beleidsregels niet, maar voert twee andersoortige beroepsgronden aan. Procedure 6.1 Eiser heeft betoogd dat de gevolgde procedure omtrent het aanhouden van het bezwaarschrift in strijd is met de wet. 6.2 Eiser heeft een prematuur bezwaarschrift ingediend naar aanleiding van de ingediende aanvraag. Gelet op het feit dat het alleen mogelijk is bezwaar te maken tegen een besluit en hiervan ten tijde van de aanvraag nog geen sprake van was, heeft het college het bezwaar aangehouden tot het moment van het nemen van een beslissing op de aanvraag. Dat het college het bezwaar heeft aangehouden is niet in strijd met de Algemene wet bestuursrecht en kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Beheerplan 7.1 Eiser heeft betoogd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college heeft getoetst aan het [beheerplan] (hierna: beheerplan). 7.2 Het college heeft gesteld dat de aanvraag niet getoetst hoefde te worden aan het beheerplan. Het toetsingskader van een omgevingsvergunning voor de bouw van de draaipoort en het schuifhek beperkt zich tot de vereisten genoemd in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Daarnaast is het adres niet gelegen binnen het [beheerplan] , waardoor het beheerplan niet van toepassing is. 7.3 Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college stelt namelijk terecht dat zij niet aan het beheerplan heeft moeten toetsen. Het college dient de bouwaanvraag te beoordelen aan de hand van de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.10 van de Wabo. Daarnaast ziet het beheerplan op de instandhouding van het [beheerplan] en beschrijft het maatregelen in het [beheerplan] . Tussen partijen is niet in geschil dat het adres niet is gelegen binnen het [beheerplan] . Voor zover eiser met zijn beroep op het beheerplan overigens bedoeld heeft meer aan te willen voeren dan dat aan dat plan getoetst had moeten worden, heeft eiser dat niet geconcretiseerd en onderbouwd. Conclusie en gevolgen 8 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 1 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […] Artikel 2.10 van de Wabo
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.