RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-096385-23 vonnis van de rechtbank d.d. 6 maart 2024 in de ontnemingszaak tegen [betrokkene] geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] wonende te [woonadres] raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda 1De procedure Betrokkene is op 6 maart 2024 door de rechtbank veroordeeld voor onder meer het witwassen van een geldbedrag van € 64.200,- tot de in die uitspraak vermelde straf. De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 64.200,- gevorderd. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een geldbedrag heeft verkregen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft daarmee een voordeel behaald ter hoogte van € 64.200,-. 3Het standpunt van de verdediging De verdediging voert geen verweer ten aanzien van de ontneming. 4Het oordeel van de rechtbank 4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Zoals de rechtbank in de hoofdzaak met parketnummer 02-096385-23 heeft overwogen, acht zij wettig en overtuigend bewezen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van geldbedragen die door een bedrijf naar zijn rekening zijn overgemaakt voor werkzaamheden die hij niet heeft verricht. Uit de bankrekeningoverzichten in het dossier blijkt dat er in de periode van 15 maart 2022 tot en met 31 augustus 2023 naar rekeningen van betrokkene geldbedragen van tezamen € 64.200,- zijn overgemaakt. Betrokkene wist dat deze geldbedragen een criminele herkomst hadden. Op basis hiervan schat de rechtbank het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 64.200,-. 4.2 Vaststelling ontnemingsbedrag Door de verdediging is geen draagkrachtverweer gevoerd. De rechtbank ziet verder ook geen omstandigheden op basis waarvan het vast te stellen ontnemingsbedrag gematigd zou moeten worden. De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 64.200,-. 5De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 6De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 64.200,-. - legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van € 64.200,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. - bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.080 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. M. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. van Spelde en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 maart 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.