RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/120957-23 vonnis van de meervoudige kamer van 8 maart 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 te [plaats] ( [land] ), wonende te [woonadres] , raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2024, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: 1) het als beginnend bestuurder veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, waardoor aan anderen zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is toegebracht, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg; 2) als beginnend bestuurder in een personenauto rijden onder invloed van alcohol. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Zij acht ten aanzien van feit 1 sprake van zeer onvoorzichtig, onnadenkend en onoplettend rijden en ten aanzien van beide slachtoffers sprake van zwaar lichamelijk letsel. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Uit het dossier valt niet af te leiden dat alcohol in deze zaak een bijdrage heeft geleverd aan het ongeval. De enkele overschrijding van de maximumsnelheid is onder de geschetste omstandigheden onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna WVW). Voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde kan wel een bewezenverklaring volgen. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen van feit 1 primair moet aansluiting worden gezocht bij aanmerkelijke schuld (de lichtste vorm). Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij beide slachtoffers. Wel kan worden aangenomen dat vanwege het letsel er sprake is geweest van tijdelijke verhindering in de normale bezigheden. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten 1 en 2 Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Schuld in de zin van roekeloosheid is de zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van roekeloosheid, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank stelt, gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte op 12 november 2022 in Hoek als bestuurder van een personenauto achterop een andere auto is gereden. Verdachte bleek te hebben gereden met een snelheid van tussen de 149 en 152 kilometer per uur en ook bleek hij meer alcohol te hebben genuttigd dan hem als beginnend bestuurder was toegestaan. Door verdachte is verklaard dat hij beperkt zicht had door de laagstaande zon. Dit neemt echter niet weg dat het handelen van verdachte zonder meer het ontstaan van het ongeluk verklaart. Een dergelijke omstandigheid vraagt naar het oordeel van de rechtbank aanpassing naar een lagere snelheid. Verdachte heeft echter, vlak voorafgaand aan het ongeval, bij het uitrijden van de tunnel, in korte tijd een agressieve versnelling van 100 naar ongeveer 150 kilometer per uur gemaakt. Bovendien is vastgesteld dat verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden. Daarbij neemt de rechtbank aan dat de alcohol wel degelijk een negatieve invloed op het rijgedrag van verdachte heeft gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol in het algemeen van negatieve invloed is op het menselijk waarnemings- en reactievermogen en daarmee in het bijzonder op het vermogen tot besturen van voertuigen. Dat er in het geval van verdachte sprake was van een relatief geringe overschrijding van de wettelijk toegestane hoeveelheid, maakt dat niet anders. Aangenomen kan worden dat ook deze hoeveelheid in enige mate het waarnemings- en reactievermogen van een beginnend bestuurder, zoals verdachte, heeft verstoord. De rechtbank vindt daarmee bewezen dat zowel de te hoge concentratie alcohol als het rijden met een (veel) te hoge snelheid hebben bijgedragen aan de omstandigheid dat verdachte het voertuig van de slachtoffers te laat opmerkte en niet meer op tijd kon uitwijken om een botsing te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het rijgedrag van verdachte tot de conclusie dat verdachte zeer onvoorzichtig, onnadenkend en onoplettend heeft gereden en dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Ten aanzien van de gevolgen voor de slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. [slachtoffer 1] heeft aan het ongeval gebroken lendenwervels en letsel aan zijn knie overgehouden. Hij heeft hierdoor een aantal werkopdrachten af moeten zeggen. [slachtoffer 2] heeft aan het ongeval gebroken ribben en letsel aan zijn elleboog overgehouden. Hij heeft tot 1 april 2023 niet kunnen werken. Bij geen van beide slachtoffers blijkt uit de stukken dat sprake is geweest van operatief ingrijpen. De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare medische informatie onvoldoende blijkt dat het letsel van beide slachtoffers zwaar lichamelijk letsel betreft. Wel is de rechtbank van oordeel dat het letsel van beide slachtoffers valt onder zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Alles overwegend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde, zoals hieronder weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.