RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer: 10719247 \ MB VERZ 23-480 CJIB-nummer: 7062 5422 4651 5773 uitspraakdatum: 29 januari 2024 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] B.V. adres : [adres] woonplaats : [woonplaats] hierna: betrokkene gemachtigde : [gemachtigde] B.V. Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 29 januari
- Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.M. Morsink (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op de Houtmarkt (richting oude Vest) te Breda op 22 december 2021 om 10:15 uur. Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat hij onbedoeld deze weg is ingereden en er ook weer uit moest, waardoor het niet redelijk is dat er twee keer een boete is opgelegd voor deze gedraging, dit kan niet anders. Voorts voert betrokkene aan dat de gemeente Breda aangeeft dat er voor 11 uur een ontheffing is en deze straat dan wel in- en uitgereden mag worden. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld. Bij het CVOM is ook geen tweede boete bekend. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat betrokkene niet is gehoord en hierop niet is gewezen door de officier van justitie én te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren. Overwegingen Vaststelling van de gedraging De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier – met name uit de foto’s in het dossier – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dit wordt door betrokkene ook niet ontkend. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, onbedoeld de Houtmarkt in te zijn gereden en te zijn gekeerd, ook geen aanleiding voor matiging van de boete. Niet aannemelijk is gemaakt dat een tweede boete is opgelegd. De boete is dus terecht opgelegd. Schending hoorplicht Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een professionele gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond. De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Overschrijding redelijke termijn Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 24 december 2021 en is de redelijke termijn dus met 1 maand overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep tegen de inleidende beschikking is gedeeltelijk gegrond en de inleidende beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in € 50,-, plus € 9,- administratiekosten; - draagt de officier van justitie op het bedrag van € 50,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari
- Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.