RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 23/9004 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.A. Remport Urban), en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht (de SVB), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en intrekking van haar recht op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2022. 1.1. Met het besluit van 24 november 2022 heeft de SVB het recht van eiseres op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022 herzien en ingetrokken. 1.2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2023 heeft de SVB het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De SVB heeft aan eiseres kinderbijslag toegekend voor het eerste kwartaal van 2022 en haar recht op kinderbijslag herzien en ingetrokken vanaf het tweede kwartaal van 2022. 1.3. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, en mr. P.C.A. Buskens namens de SVB. Totstandkoming van het besluit 2. Eiseres is Hongaarse. Zij verbleef in Nederland sinds 1 februari 2021 en werkte op basis van een uitzendovereenkomst in Nederland. Haar dochter [de dochter] (15 jaar) woont samen met de moeder van eiseres in het huis van eiseres in Hongarije. De SVB heeft bij besluit van 16 juni 2022 aan eiseres kinderbijslag toegekend voor [de dochter] met ingang van februari 2021, omdat zij vanaf die datum in Nederland werkt. Bij besluit van 24 november 2022 heeft de SVB het recht van eiseres op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022 herzien en ingetrokken. Daaraan heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiseres vanaf 25 december 2021 niet meer werkt in Nederland en daarom geen recht meer heeft op kinderbijslag. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 26 juni 2023 gegrond verklaard. De SVB heeft aan eiseres kinderbijslag toegekend voor het eerste kwartaal van 2022. Haar uitzendcontract liep namelijk tot 2 januari 2022, waardoor zij op de eerste dag van het kwartaal verzekerd was op grond van werken. Eiseres heeft recht op kinderbijslag voor het gehele eerste kwartaal, omdat zij niet in een ander land werkzaam was en geen Hongaarse kinderbijslag kreeg. Daarnaast heeft de SVB het recht van eiseres op kinderbijslag herzien en ingetrokken vanaf het tweede kwartaal van 2022, omdat zij volgens de SVB op 1 april 2022 niet woonachtig en ook niet werkzaam was in Nederland. Dit beroep is gericht tegen de beslissing op bezwaar. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de SVB terecht het recht van eiseres op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2022 heeft herzien en ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 3.1. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de toekenning van kinderbijslag voor het eerste kwartaal 2022. Daarom blijft dit deel van de beslissing op bezwaar buiten de beoordeling. 4. Het beroep van eiseres slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Standpunt eiseres 5. Eiseres voert aan dat zij ook na het eerste kwartaal 2022 in Nederland verbleef en probeerde te herstellen van een verkeersongeval op 20 januari 2022. Zij had in deze periode weliswaar geen werk, maar zij meent recht te hebben op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Daarover loopt nog een procedure bij het UWV. Zodra zij een ZW-uitkering krijgt toegekend, heeft zij met terugwerkende kracht voldoende binding met Nederland om ook recht te hebben op kinderbijslag, zo stelt eiseres. Beoordeling rechtbank 6.1. Recht op kinderbijslag voor een kind heeft degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7 van de Algemene kinderbijslagwet (AKW). Voor het recht op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2022 zijn dus de omstandigheden van belang op de 1e dag van het tweede kwartaal van 2022, zijnde 1 april 2022 (de peildatum). 6.2. Eiseres kan alleen voor de AKW verzekerd zijn geweest als op de peildatum de Nederlandse wetgeving op haar van toepassing was. Omdat eiseres zich als migrerend burger van de Europese Unie in een grensoverschrijdende situatie bevond, is de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) op haar situatie van toepassing. Kort gezegd zou de Nederlandse wetgeving op eiseres van toepassing zijn gebleven als zij op de peildatum werk in loondienst of anders dan in loondienst werk verrichtte, dan wel als Nederland kan worden aangemerkt als woonland van eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op de peildatum niet in loondienst of anders dan in loondienst werk verrichtte. Beoordeeld moet worden of eiseres op de peildatum woonplaats had in Nederland, of in Hongarije met slechts een tijdelijke verblijfplaats in Nederland. 6.3. Ingevolge artikel 1, sub j en sub k, van de Vo 883/2004 wordt onder woonplaats verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen. Onder verblijfplaats wordt verstaan de tijdelijke verblijfplaats. Beide begrippen hebben een autonome, communautaire betekenis. 6.4. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt met het begrip “woonplaats” binnen de toepassing van de Vo 883/2004 en de eerdere Verordening (EEG) nr. 1408/71 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Een persoon kan in de zin van deze Verordeningen echter slechts in één lidstaat woonplaats hebben. De SVB heeft in dit kader beleid ontwikkeld, te weten de beleidsregel SB1022. 6.5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres op de peildatum het centrum van haar belangen en dus haar woonplaats in Hongarije had. Daartoe is meegewogen dat eiseres naar Nederland gekomen is voor werk. Haar dochter woont bij de moeder van eiseres in Hongarije. Eiseres onderhoudt een voortdurende band met haar gezin door 7 x per week contact met haar dochter te hebben en iedere 6 tot 8 weken terug te gaan naar haar dochter. In Nederland wonen slechts enkele vrienden van de vader van eiseres, maar geen familieleden. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij op 1 april 2022 niet in Nederland verbleef, dat zij hier geen zelfstandige woonruimte had en dat zij was uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) met een vervolgadres in Hongarije. Zij onderging in Hongarije medische behandelingen. Haar familie in Hongarije heeft haar rond de peildatum financieel onderhouden en doet dat nog steeds. Eiseres onderhoudt haar dochter in Hongarije. Daarnaast is meegewogen dat eiseres zich volgens de SVB eerst op 10 februari 2023 weer heeft ingeschreven in de BRP met een adres in Nederland. Zij heeft momenteel gratis onderdak bij haar vriend, die haar ook financieel ondersteunt. Uit het voorgaande volgt dat de band van eiseres met Hongarije op de peildatum sterker was dan die met Nederland. Het enkele gegeven dat eiseres in Nederland een zorgverzekering betaalt, is onvoldoende om anders te oordelen. Ook de grond van eiseres dat zij voldoende band met Nederland zal hebben als ze een ZW-uitkering heeft, kan haar niet baten, omdat niet gebleken is dat zij recht heeft op een ZW-uitkering. 6.6. Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat eiseres op de peildatum geen woonplaats had in Nederland. De Nederlandse wetgeving was daarom niet op eiseres van toepassing en zij is terecht niet als verzekerde voor de AKW aangemerkt. De SVB heeft op goede gronden het recht van eiseres op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2022 herzien en ingetrokken. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot herziening en intrekking van het recht van eiseres op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 2022 standhoudt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 13 maart 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.