RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/270232-22 vonnis van de meervoudige kamer van 21 maart 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. J. Schuttkowski, advocaat te Hulst. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 maart 2024, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, waarbij zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Er is sprake van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijden en van zwaar lichamelijk letsel. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna WVW). Het ontbreekt aan overtuigend bewijs dat verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximale snelheid. Daarnaast is sprake geweest van een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer wat nog geen schuld hoeft op te leveren. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Schuld in de zin van roekeloosheid is de zwaarste aan opzet grenzende schuldvorm. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van roekeloosheid, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank stelt, gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte op 24 oktober 2021 in Hulst als bestuurder van een personenauto een overstekende voetgangster heeft aangereden. Door verdachte is verklaard dat zijn zicht werd belemmerd, doordat er twee passagiers naast hem samen op de bijrijdersstoel zaten. Hij verklaarde op het moment van het ongeval ongeveer 50 kilometer per uur te hebben gereden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door als bestuurder en eigenaar van de auto toe te staan dat de passagiers gezamenlijk plaatsnamen op de bijrijdersstoel, zelf een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen. Als bestuurder van de auto was hij verantwoordelijk voor hetgeen zich tijdens het rijden in de auto afspeelde. Verdachte heeft zelf de keuze gemaakt om toch te gaan en blijven rijden, terwijl zijn zicht werd belemmerd. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte, voordat het ongeval plaatsvond, al een tijd met hoge snelheid door de wijk aan het rijden was, waarbij hij gevaarlijk rijgedrag vertoonde en niet oplette. Daarbij werd door de passagiers provocerend gedrag vertoond naar voorbijgangers, wat ook voor de nodige afleiding voor verdachte moet hebben gezorgd. Gelet op deze omstandigheden die aan het ongeval voorafgingen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer. Ten aanzien van de geldende maximumsnelheid in de Tabakstraat ten tijde van het ongeval overweegt de rechtbank als volgt. Door verdachte is in zijn verhoor bij de politie verklaard dat de borden waarop de maximumsnelheid stond aangegeven, waren afgeplakt. Dit wordt door de printscreens van Google Streetview, die ter zitting door de verdediging zijn overgelegd als bijlage 1 bij de pleitnota en waarop afgeplakte verkeersborden te zien zijn, bevestigd. In het proces-verbaal Aanrijding misdrijf wordt een ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur genoemd. In een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van bijna een jaar later wordt door dezelfde verbalisant opgemerkt dat in eerstgenoemd proces-verbaal een ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur had moeten staan. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat, gelet op de afgeplakte verkeersborden, niet valt uit te sluiten dat de geldende maximumsnelheid ten tijde van het ongeval nog 50 kilometer per uur was en pas daarna is aangepast naar 30 kilometer per uur. Door de officier van justitie is verzocht om het onderzoek te heropenen en een onderzoek naar de snelheid te gelasten, in het geval de rechtbank na sluiting van het onderzoek van oordeel is dat sprake is van onduidelijkheid over de ter plaatse geldende maximumsnelheid. Hoewel de rechtbank inderdaad van oordeel is dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid ten tijde van het ongeval onduidelijk is, zal de rechtbank niet overgaan tot heropening van het onderzoek. Nader onderzoek zal namelijk slechts leiden tot duidelijkheid over de ter plaatse geldende maximumsnelheid ten tijde van het ongeval, wat niets afdoet aan het feit dat deze snelheid voor verdachte, door de afgeplakte borden, niet kenbaar is geweest. Wat de geldende maximumsnelheid is geweest, is dan ook niet relevant in het kader van de in deze strafzaak te beantwoorden vragen. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie tot heropening van het onderzoek af. Gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat door getuigen het rijgedrag van verdachte wordt omschreven als ‘heel hard rijden’, ‘rondscheuren in de wijk’ en ‘met hoge snelheid rondjes rijden’, acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte voor een langere tijd door de wijk heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was. De rechtbank neemt daarbij ook de verklaring van verdachte zelf dat hij 50 kilometer per uur reed in aanmerking, waarbij zij opmerkt dat verdachte zich midden in een woonwijk bevond waar men bedacht moet zijn op overstekende voetgangers. De rechtbank acht bewezen dat zowel het rijden terwijl het zicht werd belemmerd door twee passagiers op de bijrijdersstoel, als het rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was, hebben bijgedragen aan de omstandigheid dat verdachte het slachtoffer te laat opmerkte en niet meer op tijd kon remmen of uitwijken om een botsing te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het rijgedrag van verdachte tot de conclusie dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Ten aanzien van de gevolgen voor het slachtoffer overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het slachtoffer heeft aan het ongeval hersenletsel, meerdere botbreuken, een spierscheuring en een huidwond overgehouden, waarbij operatief ingrijpen vereist was. Dit letsel kan dan ook als zwaar lichamelijk letsel worden gekwalificeerd. Alles overwegend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde, zoals hieronder weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 oktober 2021 te Hulst, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Tabakstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl zijn zicht werd belemmerd (door twee passagiers op de bijrijdersstoel), voor een langere tijd door de wijk gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) in botsing is gekomen met een overstekende voetgangster, door welk verkeersongeval, [slachtoffer] (voetgangster) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: hersenletsel (met zichtbare bloedinkjes), botbreuk neusholtes recht (doorlopend tot aan rechter oogkas), botbreuken aan rechtervoet en enkel, een spierscheuring in het rechter onderbeen, botbreuk rechterschouder en een huidwond aan het voorhoofd en waarbij hij, verdachte, na het verkeersongeval, aanvankelijk is doorgereden. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 140 uur, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden daaraan verbonden. Daarnaast vordert zij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is. Het heeft lange tijd geduurd voor de zaak op zitting is gekomen en in die tussentijd is verdachte niet met politie en justitie in aanraking gekomen. Verzocht wordt rekening te houden met de positieve uitkomst van het mediationtraject. De verdediging verzoekt aan verdachte op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden, met een proeftijd van 1 of maximaal 2 jaar, waarbij de bijzondere voorwaarden zoals gesteld door de reclassering worden overgenomen. Dit met uitzondering van een rijverbod voor privéritten, omdat dit niet valt te handhaven. Een algeheel onvoorwaardelijk rijverbod is niet wenselijk, omdat verdachte de auto ook voor zijn werk nodig heeft. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft door zijn schuld als bestuurder van een personenauto, door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is, terwijl zijn zicht werd belemmerd door twee passagiers op de bijrijdersstoel, met een onverantwoorde snelheid door een woonwijk gescheurd en heeft vervolgens een overstekende voetgangster geraakt. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ter zitting bij het spreekrecht heeft zij verwoord wat de impact is geweest en nog is van het hufterige gedrag van verdachte, zoals zij dat omschreef. Dit alles wordt verdachte zwaar aangerekend. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het mediationtraject dat verdachte samen met het slachtoffer heeft doorlopen. Zij hebben met elkaar gesproken over wat er is gebeurd en wat dat met hen heeft gedaan. Door dit mediationtraject te doorlopen heeft verdachte aangetoond zijn verantwoordelijkheid te willen nemen voor hetgeen heeft plaatsgevonden en heeft hij kunnen ervaren wat het effect op het slachtoffer is geweest van zijn strafwaardig handelen. Verdachte heeft zijn excuses aangeboden. De rechtbank slaat acht op het uittreksel van het strafblad van verdachte van 23 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.