RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02-273315-22 vonnis van de meervoudige kamer van 21 maart 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , raadsman mr. M.C. van der Want, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 maart 2024, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 september 2022 al dan niet samen met een ander brand heeft gesticht, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, of dat hij medeplichtig was bij deze brandstichting. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] brand heeft gesticht waardoor levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen was te duchten. Verdachte heeft een essentiële rol vervuld bij het feit, zodat zijn rol als die van medepleger kan worden gekwalificeerd. Dat volgt uit de verklaring van [medeverdachte] , de gesprekken die in Renesse en via Snapchat zijn gevoerd, de beelden van de ringdeurbel en de omstandigheid dat verdachte de benzine heeft getankt die bij de brandstichting is gebruikt. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Verdachte wist ten tijde van het tanken niet waarvoor de benzine bedoeld was, is – wetende van het plan – uit nieuwsgierigheid meegegaan naar de camping met de jerrycan, maar heeft zich uitdrukkelijk gedistantieerd zodra hij doorkreeg dat [medeverdachte] daadwerkelijk de caravan in brand wilde steken. Hij heeft daarbij ook tegen [medeverdachte] gezegd dat hij het niet moest doen. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zoals de camerabeelden, de verklaring van [getuige] , de tankgegevens en de tapgesprekken. De verklaring van [medeverdachte] is discutabel en wordt niet ondersteund door ander (technisch) bewijs. Alleen het tanken van de benzine en het dragen van de jerrycan kan niet als begin van uitvoering van de brandstichting worden aangemerkt. Het aansteken van de brand moest nog gebeuren op het moment dat verdachte zich heeft gedistantieerd en van een gezamenlijke uitvoering is dus geen sprake. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van de brandstichting. Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van de medeplichtigheid bij de brandstichting, omdat hij geen opzet had op het gronddelict. Hij heeft zich op het daartoe geëigende tijdstip gedistantieerd, op het moment dat alle kerngedragingen voor de brandstichting nog moesten worden verricht. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 11 september 2022 de stacaravan van aangever en zijn vrouw in brand is gestoken, als gevolg waarvan de hele caravan en de daarbij horende inboedel zijn afgebrand. Gelet op de bekennende verklaring van [medeverdachte] , staat voor de rechtbank vast dat hij deze brandstichting heeft gepleegd. Hij is degene geweest die de met benzine besprenkelde caravan in brand heeft gestoken met behulp van een aansteker. Medeplegen De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [medeverdachte] de enige is die verantwoordelijk is voor de brandstichting, of dat er sprake was van medeplegen met verdachte. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. - Het plan en de voorbereidingen Uit het dossier volgt dat de stacaravan toebehoorde aan de grootouders van de toenmalige vriendin van [medeverdachte] , [naam 1] . Verder volgt uit het dossier dat er sprake was van onenigheid tussen de grootouders enerzijds en [naam 1] en haar (stief)vader, [naam 2] , anderzijds. Dit had onder andere te maken met het uitschrijven van [naam 1] op het adres van haar grootouders, waardoor haar studiefinanciering werd beperkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] , verdachte, [naam 2] en [getuige] op zaterdagavond 10 september 2022 samen in Renesse op een terras wat hebben gedronken. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat hij daar niet bij zou zijn geweest niet. Zowel [medeverdachte] als [naam 2] hebben verklaard dat verdachte daarbij aanwezig was. In Renesse heeft [naam 2] gezegd dat de caravan van de grootouders in de brand gestoken moest worden. Daarbij is door [naam 2] benoemd dat dit het moment was om het te doen, omdat de zomerperiode voorbij was en de grootouders dus niet in de caravan aanwezig zouden zijn. Verder volgt uit de Snapchatgesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 1] dat op 11 september 2022 vanaf 00:17 uur de volgende berichten zijn verstuurd: [medeverdachte] : vanavond ga ik even langs huis van je opa en oma als je snapt wat ik bedoel [naam 1] : Nu? [medeverdachte] : nee straks, ben de enige die weet welke het is. Vervolgens zijn vanaf 00:46 uur over en weer de volgende berichten gestuurd: [naam 1] : Met wie rij je? [medeverdachte] : [verdachte] [medeverdachte] : nee, zit met [verdachte] en [getuige] in de auto [medeverdachte] : jaaa, ben nu bij [verdachte] hij moet wat spullen pakken voor zometeen. Uit de bankgegevens van verdachte volgt dat er op 11 september 2022 omstreeks 00:49 uur een betaling is verricht bij ‘ [tankstation] ’, een BP tankstation gelegen op [plaats] . Verdachte heeft verklaard dat hij toen (onder andere) benzine in een jerrycan heeft getankt. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het plan om de caravan van de grootouders in brand te steken op het terras in Renesse is ontstaan, dat verdachte er toen al vanaf wist en dat [medeverdachte] niet de enige was die het plan zou gaan uitvoeren. Het Snapchatgesprek met [naam 1] waarin [medeverdachte] zegt ‘ben de enige die weet welke het is’ impliceert immers dat er andere betrokken zijn, die niet weten welk huis (de rechtbank begrijpt: welke caravan) van de grootouders is. In het gesprek vanaf 00:46 uur zegt [medeverdachte] dat hij samen met [verdachte] / [verdachte] en [getuige] in de auto zit. De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee [verdachte] , oftewel verdachte, wordt bedoeld. Verder zegt hij dat verdachte spullen moet pakken voor zo meteen, terwijl enkele minuten later de benzine in de jerrycan wordt getankt die uiteindelijk is meegenomen naar de caravan. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat met ‘spullen pakken voor zometeen’ de benzine voor het in brand steken van de caravan is bedoeld. Dat verdachte ten tijde van het tanken niet wist waarvoor de benzine was bedoeld, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte wist van het plan om de caravan in brand te steken en betrokken was bij de voorbereidingen daarvan, namelijk door benzine te tanken ten behoeve van de brandstichting. - De handelingen van verdachte voorafgaand en bij de brandstichting Uit de beelden van de ringdeurbel van de woning aan de [adres] te [plaats] en de verklaringen van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] , verdachte en [getuige] twee keer naar de camping toe zijn gelopen waar de caravan van aangever en zijn vrouw stond. De eerste keer liepen ze om 01:56 uur voorbij de ringdeurbel richting de camping en liepen ze om 02:12 uur weer terug voorbij de ringdeurbel in de richting van het huis van [naam 2] . De tweede keer liepen ze om 03:05 uur richting de camping voorbij de ringdeurbel. Een van de personen droeg een voorwerp in zijn hand. Om 03:15 uur kwamen weer drie personen terug gerend voorbij de ringdeurbel. De eerste persoon die voorbij rende, had een voorwerp in zijn hand. Hij werd gevolgd door de andere twee personen. Uit de verklaring van verdachte volgt dat verdachte degene was die beide keren het voorwerp in zijn hand had. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte degene was die de jerrycan met benzine naar de caravan heeft meegenomen en ook mee terug heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde bewijsmiddelen aansluiten bij de verklaring van [medeverdachte] dat ook verdachte aanwezig was bij de brandstichting. De rechtbank betrekt bij dat oordeel met name de vaststelling dat verdachte de benzine heeft getankt, wetende dat die bedoeld was voor de brandstichting, en ook degene was die de jerrycan met benzine mee heeft genomen en de (lege) jerrycan op de weg terug heeft gedragen. Dit betekent dat hij ofwel zelf de benzine in de caravan heeft uitgegoten, ofwel – (bij de caravan) de jerrycan met benzine ter beschikking van [medeverdachte] heeft gesteld. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat op de beelden van de ringdeurbel [medeverdachte] en verdachte telkens (ook na de brandstichting) nagenoeg gelijktijdig worden gezien en daaruit dus niet blijkt dat verdachte zich van [medeverdachte] heeft gedistantieerd. De verklaring van verdachte – dat hij alleen uit nieuwsgierigheid is meegegaan en zich heeft teruggetrokken op het moment dat voor hem duidelijk werd dat [medeverdachte] de caravan daadwerkelijk in brand ging steken – past naar het oordeel van de rechtbank niet bij voornoemde handelingen. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. Daarbij betrekt de rechtbank dat [medeverdachte] vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven, terwijl verdachte in de verschillende verklaringen die hij heeft afgelegd zijn verhaal op essentiële punten (meermalen) heeft aangepast. Zoals bijvoorbeeld de wisselende verklaring van verdachte ten aanzien van de vraag of hij wel of niet de jerrycan met benzine heeft gedragen van en naar de caravan toe en of hij van tevoren wist dat het doelwit van de brandstichting de caravan van aangever en zijn vrouw was. De rechtbank is van oordeel dat het aanwezig zijn tijdens het plannen van de brandstichting in Renesse, het tanken van de benzine, het meenemen van de benzine naar de caravan, het aanwezig zijn bij de brandstichting in de caravan en het ter plaatse ter beschikking stellen van de benzine ten behoeve van die brandstichting voldoende wezenlijke handelingen zijn om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte bij de brandstichting. Voor het vaststellen van een nauwe en bewuste samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet nodig of kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk degene is geweest die – zoals door [medeverdachte] is verklaard – de benzine in de caravan heeft uitgegoten. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en verdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen Om vast te kunnen stellen dat sprake is van levensgevaar (en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) moet uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgen dat dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is, gelet op de verklaring van [getuige 2] , bevelvoerder van de brandweer. Daaruit volgt dat er sprake was van gevaarzetting, dat de kans op overslag naar andere caravans zeker aanwezig was en dat het risico bestond dat er gasflessen zouden exploderen. Als dat was gebeurd, dan zouden de gevolgen volgens de bevelvoerder van de brandweer niet te overzien zijn geweest. Het is vooral door omstandigheden die buiten de invloedsfeer van verdachten hebben gelegen, namelijk dat er oplettende campinggasten waren die snel een melding maakten en dat de brandweer snel ter plaatse was, dat de brand niet verder uit de hand is gelopen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de brand ’s nachts is gesticht, op een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat de bewoners van de in de buurt gelegen caravans binnen waren en sliepen. Als de brand was overgeslagen naar andere caravans, was dit levensgevaarlijk geweest voor de nietsvermoedende bewoners. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander brand heeft gesticht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 september 2022 te [plaats] , gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan een stacaravan geheel is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de goederen in die stacaravan en nabijgelegen stacaravans en de bosschages en levensgevaar voor personen in de nabijgelegen stacaravans en omstanders van de brand en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor voornoemde personen, te duchten was. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 450 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 407 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. Bij zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het advies van de reclassering, de jeugdige leeftijd van verdachte en de richtlijnen van het openbaar ministerie. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarom niet passend. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest. Verzocht wordt om de beperktere rol van verdachte bij het feit mee te wegen bij de strafmaat en een aanzienlijk lagere straf aan hem op te leggen dan aan de medeverdachte. Verdachte heeft geen relevant strafblad, is nog jong en het schorsingstoezicht is positief verlopen. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is van toepassing. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Aard en ernst van het feit Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting en daarmee (levens)gevaar voor personen en goederen veroorzaakt. Hij heeft samen met de medeverdachte doelbewust brand gesticht in de stacaravan van de grootouders van de toenmalige vriendin van de medeverdachte. Als gevolg daarvan is de caravan volledig uitgebrand en de zich daarin bevindende inboedel verloren gegaan. Het is aan alerte campinggasten en het handelen van de brandweer te danken dat er tijdig melding is gedaan van de brand, de gasflessen bij de caravan door de brandweer konden worden afgekoppeld, de brand kon worden geblust en erger werd voorkomen. De brandstichting vond in de nacht plaats, op een tijdstip waarop mensen doorgaans slapen. Als de brand was overgeslagen naar andere caravans, dan was dit levensgevaarlijk geweest voor de nietsvermoedende campinggasten. Dat de gevolgen in dit geval beperkt zijn gebleven tot met name materiële schade, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Verdachte heeft door de brandstichting forse materiële en emotionele schade bij de slachtoffers veroorzaakt. Hun caravan, feitelijk hun tweede woning gedurende een groot deel van het jaar, is samen met de inboedel volledig verloren gegaan. Daardoor zijn zij veel tastbare herinneringen kwijt geraakt, maar ook hun verblijfsadres in Zeeland en hun sociale leven in die omgeving. Het feit heeft voor veel verdriet bij hen gezorgd, zoals ook blijkt uit hun schriftelijke slachtofferverklaring. Door de stress is bij [slachtoffer 1] zelfs een posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie, maar niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De situatie van artikel 63 Sr is van toepassing in verband met een op 27 september 2022 opgelegde strafbeschikking. De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering van 8 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.