RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/418675 / KG ZA 24-52 Vonnis in kort geding van 20 maart 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , (in België), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. D.B. Dubach te 's-Hertogenbosch, tegen 1de stichting [gedaagde 1] , 2. de besloten vennootschap [gedaagde 2] , beiden statutair gevestigd te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna te noemen: STAK en [gedaagde 2] , advocaat: mr. D.D. Weeland te Tilburg. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 27 februari 2024 met producties 1 tot en met 10; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6; - de akte van [eiser] tot overlegging producties 11 tot en met 16; - de mondelinge behandeling van 6 maart 2024; - de pleitnota’s van partijen. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1 Sinds 4 juni 2003 is STAK enige aandeelhouder van [gedaagde 2] . Tevoren hielden de vader en stiefmoeder van [eiser] , zijnde de heer [vader] (hierna ook: vader) en mevrouw [naam] (hierna: mevrouw [naam] ) alsmede NV [bedrijf] alle aandelen in [gedaagde 2] . De 200 aandelen van STAK zijn bij akte van 4 juni 2003 gecertificeerd en geleverd aan vader. 2.2 Vader heeft op 4 juni 2003 de 200 certificaten geschonken aan mevrouw [naam] . Bij die schenking is bedongen dat vader een levenslang vruchtgebruik zal hebben op de certificaten. 2.3 Op 6 december 2013 heeft mevrouw [naam] 25 certificaten in de STAK geschonken aan [eiser] , namelijk de certificaten met nummers [nummer 1] tot en met [nummer 2] . De broer en twee zussen van [eiser] hebben toen ook elk 25 certificaten geschonken gekregen. 2.4 In een proces-verbaal van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: de AVA) van 21 juni 2019 is vermeld dat de STAK 400 aandelen houdt in [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] zelf nog 90 aandelen heeft. [eiser] , zijn broer en twee zussen houden volgens dat proces-verbaal elk 45 certificaten en de halfbroer van [eiser] 220 certificaten. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat mevrouw [naam] is benoemd tot bestuurder van [gedaagde 2] . 2.5 Op 29 september 2021 heeft [eiser] de helft van zijn certificaten aan mevrouw [naam] verkocht voor een bedrag van € 100.000,00. In de brief van mevrouw [naam] met het voorstel tot overname is vermeld dat het belang van [eiser] in de STAK 11,2% is en na verkoop nog 5% zou zijn. 2.6 Bij brief van 28 december 2023 heeft mevrouw [naam] aan [eiser] medegedeeld dat de waarde van de certificaten per saldo negatief is en zij namens de STAK bereid is om de schuld kwijt te schelden met als tegenprestatie overdracht van de laatste 5% van de certificaten. 2.7 Bij brief van 19 januari 2024 heeft de advocaat van [eiser] aan mevrouw [naam] als bestuurder van STAK en [gedaagde 2] gevraagd stukken te verstrekken omdat de financiële status van STAK en [gedaagde 2] onduidelijk is. Mevrouw [naam] heeft daar afwijzend op gereageerd. 3Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. STAK en [gedaagde 2] worden bevolen om [eiser] binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis inzage te verlenen in: de akte van levering van certificaten van 4 juni 2003 waarin de STAK de certificaten [gedaagde 2] heeft geleverd aan [vader] ; de akte van levering aandelen ter certificering van 4 juni 2003 waarin [vader] zijn aandelen [gedaagde 2] heeft geleverd aan de STAK; de akte van schenking van 4 juni 2003 waarin 200 certificaten van [vader] zijn geschonken aan mevrouw [naam] ; Het actuele register van certificaathouders van de STAK en alle registers van certificaathouders vanaf 2013; Het actuele register van aandeelhouders van [gedaagde 2] , en alle registers van certificaathouders vanaf 2013; De aandeelhouders- en certificaatstructuur van [gedaagde 2] en de STAK vanaf 2013 tot en met heden; Alle besluiten van de STAK ter goedkeuring van de overdracht van certificaten vanaf 2013, waaronder in ieder geval het besluit van de STAK van 9 april 2013 ter goedkeuring van de overdracht van certificaten; Afschrift of uittreksel van de volledige administratie van de STAK en [gedaagde 2] vanaf 4 juni 2003 tot en met heden waaronder in ieder geval: o de volledige jaarrekeningen vanaf 2013 van [gedaagde 2] en de STAK tot en met heden; zowel de concepten als de definitieve; o de voorlopige cijfers 2023 van [gedaagde 2] en de STAK; o bestuursverslagen vanaf 2013 tot en met heden van [gedaagde 2] en de STAK; o de onderliggende financiële administratie en bankbescheiden vanaf 2013 van [gedaagde 2] en STAK; Notulen van alle (jaar)vergaderingen van aandeelhouders c.q. certificaathouders vanaf 2013 tot en met heden van [gedaagde 2] en de STAK waaronder in ieder geval die van de AVA van 28 december 2023; Alle statuten van de STAK en van [gedaagde 2] zoals die golden in de periode 2013 tot en met 2019 (hieronder begrepen eventuele statutenwijzigingen); De administratievoorwaarden van de STAK van 4 juni 2003 en alle opvolgende administratievoorwaarden tot heden; en [eiser] toe te staan afschriften daarvan te maken op zijn kosten, op straffe van een dwangsom van € 3.000,00 voor iedere dag dat aan de veroordeling in het geheel of gedeeltelijk geen gevolg is gegeven, met een maximum van € 300.000,00 althans de wijze te bepalen waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft en van welke bescheiden, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening; STAK en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. 3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat voldaan is aan de vereisten van artikel 843a Rv en hij belang heeft bij inzage in de documenten waaruit zijn rechten en verplichtingen als certificaathouder blijken. [eiser] stelt vermoedens te hebben dat er geen juist beleid is gevoerd of geen juiste gang van zaken is binnen STAK en [gedaagde 2] omdat in 2023 is medegedeeld dat de certificaten niets meer waard zijn terwijl hem bekend is dat het vermogen van [gedaagde 2] € 4,5 miljoen was. [eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij de vorderingen omdat hij zijn financiële positie als certificaathouder wil bepalen en van hem niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 3.3 STAK en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, althans niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen en hem te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente. 3.4 STAK en [gedaagde 2] voeren als verweer – samengevat – aan dat [eiser] jarenlang geen interesse had in de financiële positie van de rechtspersonen en dat er gedeeltelijk is voldaan aan de vorderingen om inzage te verlenen in stukken. Verder voeren zij aan dat [eiser] zijn rechtmatige belang ten onrechte niet bij ieder stuk heeft onderbouwd. Daarnaast betwisten STAK en [gedaagde 2] dat er gegronde redenen zijn te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken en zij voeren aan dat artikel 843a Rv niet mag worden gebruik voor fishing expedition. Daarnaast betwisten STAK en [gedaagde 2] dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. 3.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1 Omdat [eiser] in België woonachtig is, is er sprake van een internationaal geschil en dient ambtshalve onderzocht te worden of de voorzieningenrechter rechtsmacht heeft. Dat is het geval op grond van artikel 4 van de herschikte EEX-Verordening omdat STAK en [gedaagde 2] in [plaats 2] zijn gevestigd. 4.2 Beide partijen zijn van mening dat Nederlands recht van toepassing is. De voorzieningenrechter sluit zich hierbij aan.Spoedeisend belang 4.3 [eiser] stelt dat hij de gevraagde informatie met spoed nodig heeft om zijn positie als certificaathouder te bepalen. Verder stelt [eiser] dat er een wettelijke bewaartermijn geldt van 7 jaar ten aanzien van diverse stukken van de rechtspersonen en hij bij een bodemprocedure het risico loopt dat er dan geen stukken meer bestaan vanwege vernietiging. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de ingestelde vorderingen.Artikel 843a Rv 4.4 Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan worden toegewezen indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.