RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/32 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2022. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.954. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 2.403 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017 en de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en namens de inspecteur, mr. [inspecteur] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2017 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2017 tot een te hoog bedrag vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een hogere persoonsgebonden aftrek in verband met onderhoudskosten voor een monumentenpand dan reeds bij aanslag IB/PVV 2017 is toegestaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is sinds februari 1999 eigenaar van de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] . De onroerende zaak aan de [adres 1] te [plaats] is als monument ingeschreven in het Rijksmonumentenregister (het monumentenpand). Belanghebbende heeft het monumentenpand van 1999 tot en met 2015 verhuurd. 3.1. In 2016 is belanghebbende gestart met werkzaamheden aan het monumentenpand. De werkzaamheden hebben plaatsgevonden in 2016, 2017 en 2018. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door [aannemer] (de aannemer). De totale kosten van de werkzaamheden aan het monumentenpand bedragen € 269.050. 3.2. De aannemer heeft aan belanghebbende een detailbegroting voor de werkzaamheden aan het monumentenpand verstrekt. In de detailbegroting staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: Totaal Kosten (voor staartkosten) € 174.251,73 Algemene kosten 5,00% € 8.712,59 Winst en risico 8,00% € 14.637,15 Eindtotaal begroting € 197.601,46 3.3. De aannemer heeft met dagtekening 22 januari 2018 een financieel overzicht aan belanghebbende verstrekt: 3.4. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend. Uit de aangifte volgt een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 59.526. De aangifte is als volgt opgebouwd: Inkomen box 1 € 149.086 Loon uit dienstbetrekking € 120.000 Resultaat uit overige werkzaamheden (TBS) € 35.118 Saldo inkomsten uit eigen woning € -/- 6.032 Af: persoonsgebonden aftrek onderhoudskosten monumentenpanden € 207.612 Onderhoudskosten € 259.515 Niet-aftrekbaar bedrag € 51.903 Af: persoonsgebonden aftrek periodieke giften € 1.000 3.5. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.954. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van een inkomen uit werk en woning van € 149.086, een persoonsgebonden aftrek in verband met periodieke giften van € 1.000 en een persoonsgebonden aftrek in verband met onderhoudskosten voor het monumentenpand van € 101.132. Motivering Vooraf Verloop procedure 4. Belanghebbende stelt – in de kern weergegeven – dat het optreden van de inspecteur gedurende de procedure onredelijk en onbetrouwbaar is geweest en niet aan redelijke omgangsnormen voldoet. In het bijzonder wijst belanghebbende erop dat de inspecteur een lange periode heeft laten verlopen tussen het opvragen van stukken ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte kosten in het jaar 2016 en in het jaar 2017, terwijl het in wezen over kosten met betrekking tot dezelfde werkzaamheden gaat en in een keer had kunnen worden opgevraagd. Verder wijst belanghebbende erop dat hij is geïntimideerd tijdens een telefoongesprek met de inspecteur. 4.1. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het handelen van de inspecteur had op onderdelen mogelijk sneller kunnen verlopen, hetgeen de inspecteur ter zitting ook heeft beaamd, maar dat is op zichzelf bezien onvoldoende reden om het handelen van de inspecteur in strijd te achten met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gestelde bewijsnood 5. Belanghebbende stelt dat hij in zijn bewijspositie is geschaad omdat hij niet (meer) beschikt over bepaalde bewijsstukken die de inspecteur bij hem heeft opgevraagd. Dat is volgens belanghebbende te wijten aan het lange tijdsverloop tussen de werkzaamheden aan het pand en het moment waarop de inspecteur de bewijsstukken bij hem heeft opgevraagd. 5.1. De rechtbank overweegt dat belanghebbende desgevraagd ter zitting niet nader heeft gespecificeerd welke stukken hij had willen inbrengen waarover hij kennelijk eerder wel beschikte maar op een later moment niet meer beschikte. De rechtbank passeert in zoverre dan ook de stelling van belanghebbende dat hij in zijn bewijspositie is geschaad. Vertrouwensbeginsel 6. Verder stelt belanghebbende dat de inspecteur bij de beoordeling van de persoonsgebonden aftrek in verband met onderhoudskosten voor het monumentenpand voor 2016 een andere bewijslastverdeling heeft toegepast dan voor 2017, waardoor bepaalde uitgaven voor het jaar 2016 wel door de inspecteur in aftrek zijn toegestaan en voor het jaar 2017 niet. 6.1. Naar de rechtbank begrijpt doet belanghebbende daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Aan de enkele omstandigheid dat het standpunt van belanghebbende bij de aanslagregeling over voorafgaande jaren (geautomatiseerd) is gevolgd, kan niet een in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur dit ook in de toekomst zou blijven doen. In dit geval komt daar bij dat de wettelijke regeling waarin is opgenomen welke uitgaven als onderhoudskosten voor een monumentenpand zijn aan te merken jaarlijks kan wijzigen en ieder jaar opnieuw moet zijn voldaan aan de voorwaarden voor aftrek van de uitgaven voor onderhoudskosten voor een monumentenpand (zie 7.10). Persoonsgebonden aftrek 7. Partijen houdt verdeeld of belanghebbende recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek in verband met onderhoudskosten voor het monumentenpand. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aftrek € 207.612 moet bedragen. De inspecteur handhaaft de bij de aanslag IB/PVV 2017 verleende aftrek van € 101.132. Bewijslastverdeling 7.1. Onderhoudskosten voor een monumentenpand worden op basis van artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) alleen als persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen als belanghebbende aannemelijk maakt dat aan alle voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat hij de uitgaven heeft gedaan in het jaar waarover aftrek wordt geclaimd, dat de uitgaven op hem drukken en dat de uitgaven voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek. Totale uitgaven in 2017 7.2. Partijen zijn het niet eens over de omvang van de totale uitgaven in 2017 voor de werkzaamheden aan het monumentenpand. Belanghebbende gaat uit van een bedrag van € 259.515 aan uitgaven. Dat bedrag bestaat uit 15 termijnen van € 15.000, een credit van € 360 en een eindafrekening van € 19.875. De inspecteur gaat uit van een bedrag van € 210.000 aan uitgaven. Dat bedrag bestaat uit 14 termijnen van € 15.000. 7.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat de uitgaven in 2017 voor de werkzaamheden aan het monumentenpand meer dan € 210.000 bedroegen. Het ligt bij betwisting door de inspecteur op de weg van belanghebbende om door middel van bewijsstukken, bijvoorbeeld bankafschriften, te onderbouwen dat de uitgaven in 2017 hoger zijn geweest. Belanghebbende heeft dergelijke bewijsstukken niet overgelegd. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een bedrag van € 210.000 aan totale uitgaven in 2017 voor de werkzaamheden aan het monumentenpand waarvan de inspecteur dus reeds € 101.132 in aftrek heeft toegelaten. Toerekening uitgaven aan 2017 7.4. De rechtbank stelt vast dat de detailbegroting van de aannemer bestaat uit veel verschillende posten. Belanghebbende heeft steeds in termijnen aan zijn aannemer betaald. Het is daarom niet inzichtelijk op welke specifieke posten de uitgaven in 2017 zien. De rechtbank gaat er om praktische redenen en bij gebrek aan concreet inzicht van uit dat steeds 81,07% (€ 210.000 / € 259.050) per post is toe te rekenen aan het jaar 2017. Dat stemt overeen met de berekeningswijze die de inspecteur hanteert. Standpunten partijen over welke uitgaven voor aftrek in aanmerking komen 7.5. De inspecteur heeft op basis van de detailbegroting van de aannemer een onderverdeling gemaakt van uitgaven die volgens hem wel voor aftrek in aanmerking komen en uitgaven die volgens hem niet voor aftrek in aanmerking komen. De inspecteur heeft op basis van deze onderverdeling bij de aanslag IB/PVV 2017 80% van € 133.100 aan uitgaven in aftrek toegestaan. In de beroepsfase heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat van de totale uitgaven voor de werkzaamheden aan het monumentenpand slechts een bedrag van € 100.469 aan uitgaven in aftrek had moeten worden toegestaan. Naar de rechtbank begrijpt stelt de inspecteur zich in beroep dus op het standpunt dat slechts (80% van) € 210.000 / € 259.050 x € 100.469 = € 81.446 in 2017 voor aftrek in aanmerking komt. Nu de inspecteur reeds € 101.132 in aftrek heeft toegelaten is de aanslag volgens de inspecteur eerder te laag dan te hoog vastgesteld. 7.6. De inspecteur heeft het bedrag aan uitgaven van € 100.469 dat volgens hem wel in aftrek komt als volgt nader gespecificeerd: Totaal Standpunt inspecteur Kosten (voor staartkosten) € 174.251,73 € 63.689 Algemene kosten 5,00% € 8.712,59 € 3.185 Winst en risico 8,00% € 14.637,15 € 5.350 Eindtotaal begroting € 197.601,46 € 72.224 Meerwerk volgens financieel overzicht € 71.450 € 28.245 Totaal € 269.050 € 100.469 7.7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat alle uitgaven voor aftrek in aanmerking komen. Naar de rechtbank begrijpt stelt belanghebbende zich dus op het standpunt dat 80% van € 210.000 in 2017 voor aftrek in aanmerking komt. Praktische werkwijze bij beoordeling aftrek 7.8. Zoals de rechtbank eerder al heeft opgemerkt bestaat de detailbegroting van de aannemer uit veel gedetailleerde en verschillende posten. De rechtbank heeft daarom ter zitting met partijen afgestemd dat de nog in geschil zijnde uitgaven in de categorie ‘kosten (voor staartkosten)’ uiteenvallen in de volgende drie posten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.