RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/411137 / HA ZA 23-354 Vonnis van 27 maart 2024 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [plaats] ,2. [eiser 2], wonende te [plaats] , eisende partijen, hierna individueel te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] , advocaat: mr. M.C.A.M. van der Meer te Tilburg, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. S.E.C. Veldhof te Breda. 1De kern van de zaak en de uitkomst Deze zaak gaat over een geschil tussen een vader, zoon en zijn vriendin. Zij waren in het verleden buren van elkaar. Beoordeeld dient te worden of de vader vernielingen heeft aangericht aan eigendommen toebehorende aan zijn zoon en zijn vriendin en of vader hiervoor een schadevergoeding dient te betalen. De vorderingen worden door de rechtbank afgewezen. Hierna wordt dit alles nader toegelicht. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 13 september 2023 met alle daarin vermelde stukken, - de van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] bij bericht van 3 januari 2024 toegezonden productie, genummerd 18, - de van de zijde van [gedaagde] bij akte van 15 januari 2024 toegezonden productie, genummerd 14, - de mondelinge behandeling gehouden op 25 januari 2024 en de ter gelegenheid hiervan overgelegde spreekaantekeningen van mr. Van der Meer en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3. De feiten 3.1. In deze procedure wordt uitgegaan van de navolgende feiten: a. [eiser 1] is de zoon van [gedaagde] . [eiser 1] heeft een relatie met [eiser 2] . [eiser 1] huurt met ingang van 1 april 2008 de standplaats voor een woonwagen gelegen aan het [adres 1] (hierna: [adres 1] ) van Tiwos. De moeder van [eiser 1] en [gedaagde] hebben deze standplaats daarvoor, namelijk vanaf omstreeks 1990 tot 1 april 2008 gehuurd. [eiser 1] heeft samen met zijn moeder, zusje én zijn vader [gedaagde] in een woonwagen op de standplaats gewoond. Omstreeks 2006/2007 is de relatie van de ouders van [eiser 1] beëindigd. Omstreeks 2008 hebben de moeder van [eiser 1] en [gedaagde] de woonwagen op [adres 1] verlaten. Hierna is [eiser 1] huurder geworden van de standplaats. b. [gedaagde] huurt vanaf 2008 de naast [adres 1] gelegen standplaats aan het [adres 2] (hierna: [adres 2] ). [gedaagde] woont thans niet meer op dit adres. c. Tussen de standplaatsen met [adres 1] en 148 ligt een terrein Van Tiwos van ongeveer 200 m2 (hierna ook wel terreintje genoemd). Vanaf 1 mei 1995 huurt [gedaagde] dit terreintje, volgens de huurovereenkomst te gebruiken als tuin, van Tiwos voor een huur van honderd gulden per jaar. In de huurovereenkomst is bepaald dat deze is aangegaan voor de duur dat huurder “deze standplaats huurt”, waarbij wordt verwezen naar [gedaagde] als huurder van de standplaats met [adres 1] . In de periode dat [gedaagde] aldaar woonde heeft hij op het terreintje een bouwkeet (hierna: de opstal) en een paardenstal geplaatst, zonder dat gebleken is van toestemming van de verhuurder Tiwos. De elektriciteitsvoorzieningen voor de opstal waren afkomstig van de woonwagen op [adres 1] . In de opstal heeft [gedaagde] enige jaren ten behoeve van zijn autobedrijf een garage met kantoor gevestigd. Omstreeks 2012 is [gedaagde] gestopt met zijn autobedrijf. Omstreeks 2014 is het garagegedeelte van de opstal verbouwd tot een door partijen als zodanig aangeduide mancave/café die zowel door [eiser 1] als [gedaagde] werd gebruikt. De inrichting/verbouwingswerkzaamheden van de mancave/café is gezamenlijk gedaan in de tijd dat de relatie tussen [eiser 1] en [gedaagde] nog goed was. d. Omstreeks 2020/2021 heeft [gedaagde] toestemming aan [eiser 2] verleend om het voormalige kantoordeel van de opstal in te richten en te gebruiken als kapsalon. [eiser 2] heeft ten behoeve van de kapsalon kappersbenodigdheden gekocht. e. Omstreeks april/mei 2022 is de relatie tussen [eiser 1] en [gedaagde] verslechterd. Tussen [eiser 1] en [gedaagde] is in ieder geval onenigheid ontstaan over wie er rechthebbende was ten aanzien van het terreintje en de hierop geplaatste opstal. Vanaf voormelde periode heeft [gedaagde] het terrein en de hierop geplaatste opstal afgesloten voor [eiser 1] en [eiser 2] . f. [eiser 1] heeft [gedaagde] in de nacht van zondag 14 november 2022 neergestoken. g. In verband met onduidelijkheid over de huur van het terreintje heeft Tiwos (die de Gemeente als verhuurder is opgevolgd) [eiser 1] bij brief van 29 december 2022 bericht dat het ontbreekt aan een huurovereenkomst met betrekking tot dit stuk grond, maar dat uit de administratie van Tiwos blijkt dat [eiser 1] wel een vergoeding betaalt voor het gebruik van een stuk grond, maar dat dit niet nader is omschreven. In verband met het voorkomen van toekomstige onduidelijkheden is de huur voor het betreffende stuk grond vastgelegd in een huurovereenkomst tussen Tiwos en [eiser 1] . h. Bij brief van 29 december 2022 is [gedaagde] door de advocaat van [eiser 1] aangeschreven. Hierbij is aangegeven dat [eiser 1] rechthebbende is van het stuk grond naast de woonwagen op [adres 1] . [gedaagde] is gesommeerd om het gebruik en aanwezigheid op het betreffende stuk grond én de opstal te staken en gestaakt te houden en [eiser 1] en [eiser 2] niet langer onrechtmatig de toegang hiertoe te versperren. i. Partijen hebben in januari en februari 2023 gecorrespondeerd over de vraag wie rechthebbende is tot het betreffende stuk grond. j. Bij e-mailbericht van 21 februari 2023 bericht de advocaat van [gedaagde] dat hij bereid is om het perceel te ontruimen indien hij daarvoor een redelijke termijn krijgt. k. Partijen spreken af dat [gedaagde] uiterlijk 10 maart 2023 het perceel en de hierop geplaatste opstallen zal ontruimen. Peter is in ieder geval overgegaan tot ontruiming van de mancave/café en heeft de opstal verlaten en aan [eiser 1] overgelaten. 4Het geschil 4.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] door vernielingen aan te brengen aan zaken van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tekort is geschoten in diens positie van beheerder van eigendommen van [eiser 1] en [eiser 2] en de daarmee samenhangende zorgplicht en jegens [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. 2. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van € 40.421,89, althans enig in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. 3. [gedaagde] vervolgens te veroordelen in de kosten van dit geding en deze proceskostenveroordeling eveneens uitvoerbaar bij vooraard te verklaren. 4.2. [gedaagde] betwist dat hij eigendommen van [eiser 1] en [eiser 2] heeft vernield/vervreemd en dat hij onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Onrechtmatige daad 5.1. [eiser 1] en [eiser 2] leggen primair onrechtmatige daad van [gedaagde] aan hun vordering ten grondslag. Zij betogen dat [gedaagde] vernielingen aan de aan hun in eigendom toebehorende mancave/café inclusief inventaris zou hebben aangericht, alsmede dat [gedaagde] de aan [eiser 2] in eigendom toebehoren kappersbenodigdheden zou hebben weggenomen/verwijderd. Subsidiair betogen [eiser 1] en [eiser 2] dat [gedaagde] als beheerder tekort is geschoten in zijn zorgplicht ten aanzien van hun eigendommen. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de gesteld door hen geleden schade. 5.2. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW dient aan een vijftal vereisten voldaan te zijn, te weten: onrechtmatig handelen, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit. Een onrechtmatige daad kan bestaan uit een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (art. 6:162 lid 2 BW). 5.3. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens hen gehandeld omdat hij hun eigendommen heeft vernield en weggenomen. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn aldus gegrond op vermeende eigendom van de bewuste opstal (inclusief de kapsalon) en/of de hierin aanwezige spullen. De stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast, voor de feiten en omstandigheden waarop deze stelling van [eiser 1] en [eiser 2] is gebaseerd, rusten ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv op [eiser 1] en [eiser 2] als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen. Omdat het eigendomsrecht van (de inventaris van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.