RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats Breda parketnummer : 02-176423-23 raadkamernummer : 23-018800 datum : 20 maart 2024 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1950 te [geboorteplaats] , wonende op het [woonadres] , mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht, hierna te noemen: de verzoeker. 1De procedure De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van: € 5.961,77, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand; € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer; de kennisgeving sepot van 17 juli 2023; de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft aan de officier van justitie en de advocaat van verzoeker laten weten dat de behandeling van het verzoekschrift - wegens het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de gevraagde vergoeding geheel toewijsbaar is - in aanmerking komt voor een pro-formabehandeling op BRK-zitting van 20 maart
- De officier van justitie en de advocaat hebben ermee ingestemd dat het verzoek pro-forma wordt behandeld. De advocaat van verzoeker heeft daarbij aangegeven dat hij en verzoeker niet zullen verschijnen. De rechtbank heeft het verzoekschrift op 20 maart 2024 in openbare raadkamer behandeld, waarbij de officier van justitie mr. J.A. Castelijn is verschenen. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen. 2De beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd. Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman. Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 6.301,77 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank niet onbillijk voor. De rechtbank zal voornoemd bedrag dan ook toewijzen. Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van € 340,00 toegekend. 3De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van € 6.301,77, bestaande uit: - € 5.961,77 aan kosten van rechtsbijstand; en - € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer; bepaalt dat een bedrag van € 6.301,77 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name De Pree Advocatuur, onder vermelding van “ [dossiernummer] /OM 530 Sv”. Deze beslissing is op 2 april 2024 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april
- INFORMATIE RECHTSMIDDEL Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).