RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 10710056 \ CV EXPL 23-2796 Vonnis van 3 april 2024 in de zaak van SCHUTTINGBOUW MOERDIJK B.V., gevestigd te Zevenbergen, eisende partij, hierna te noemen: Schuttingbouw, gemachtigde: [gemachtigde] B.V., tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 4 oktober 2023 met de daarin genoemde stukken, - de e-mail van 4 maart 2024 van [gedaagde] , waarin hij aangeeft niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, - de e-mail van 5 maart 2024 van de griffier, waarin staat dat de e-mail van [gedaagde] niet wordt gezien als een verzoek tot uitstel en dat de zitting in beginsel zal doorgaan, - de mondelinge behandeling van 6 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] is zoals aangekondigd niet verschenen. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft met Schuttingbouw een overeenkomst gesloten voor de koop en plaatsing van onder meer een schutting. 2.
- Schuttingbouw heeft aan [gedaagde] de factuur van 1 oktober 2022 aan [gedaagde] gezonden voor een totaalbedrag van € 1.798,
- 2.
- Schuttingbouw heeft op 10 oktober 2022 en 25 oktober 2022 een betalingsherinnering aan [gedaagde] gezonden. In de herinneringen wordt gevraagd om het openstaande bedrag zo spoedig mogelijk over te maken. 2.
- Schuttingbouw heeft op 1 december 2022 en 30 december 2022 een aanmaning aan [gedaagde] gezonden. In de aanmaningen wordt gevraagd om het openstaande bedrag binnen 7 dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen. 2.
- Per brief van 5 februari 2023 heeft de gemachtigde van Schuttingbouw [gedaagde] verzocht om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief tot betaling van het openstaande bedrag over te gaan. 3Het geschil 3.
- Schuttingbouw vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.129,68 (bestaande uit € 1.798,50 aan hoofdsom, € 61,40 aan verschenen wettelijke rente en € 269,78 aan buitengerechtelijke incassokosten), wettelijke rente en proceskosten. 3.
- [gedaagde] voert aan dat betalingen zijn verricht. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 maart
- Zoals door hem aangekondigd is [gedaagde] , hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Op grond van artikel 88 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter uit het niet-verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Doordat [gedaagde] niet is verschenen, heeft hij de nadere stellingen van Schuttingbouw niet weersproken. 4.
- Schuttingbouw heeft ter zitting betwist dat [gedaagde] betalingen heeft verricht. Het lag op de weg van [gedaagde] om zijn verweer dat betalingen zijn verricht met bewijsstukken te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Aangezien niet vast is komen te staan dat [gedaagde] daadwerkelijk betalingen heeft verricht, zal de gevorderde hoofdsom van € 1.798,50 worden toegewezen. 4.
- Ter zitting heeft Schuttingbouw de gevorderde handelsrente verminderd tot de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet gesteld of gebleken is vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. Op de factuur is geen betalingstermijn opgenomen. Pas per brief van 5 februari 2023 is [gedaagde] een redelijke termijn in de zin van artikel 6:82 BW gesteld om te betalen, namelijk binnen 15 dagen nadat de brief is bezorgd. Dat houdt in dat [gedaagde] op zijn vroegst op 23 februari 2023 in verzuim is komen te verkeren, uitgaande van een bezorging van de brief op de eerstvolgende dag niet zijnde een zon-, maan- of feestdag. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom vanaf die datum worden toegewezen. 4.
- Schuttingbouw vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Schuttingbouw heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 269,78 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is gelijk aan het in het Besluit bepaalde tarief van € 269,78 bij € 1.798,50 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 269,78 toe. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom € 1.798,50 - buitengerechtelijke incassokosten € 269,78 + Totaal € 2.068,28 4.
- [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Schuttingbouw worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 107,84 - griffierecht € 365,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2,00 punten × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 982,84 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Schuttingbouw te betalen een bedrag van € 2.068,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.798,50, met ingang van 23 februari 2023, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 982,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024