RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/298540-19 vonnis van de meervoudige kamer van 11 april 2024 in de strafzaak tegen minderjarige [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2001 te [geboorteplaats 1] wonende te [woonadres] raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 28 maart 2024, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Beugeling-Gaillard, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018) te doden, dan wel hem zwaar heeft mishandeld, dan wel dit heeft geprobeerd. 3De voorvragen 3.1 De dagvaarding is geldig. 3.2 De rechtbank is bevoegd. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Ter zitting is een preliminair verweer gevoerd strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de zeer forse overschrijding van de redelijke termijn, op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het incident nog minderjarig was en op de doelstellingen die met het jeugdstrafrecht worden nagestreefd. Met de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, is het doel van een eventuele pedagogische interventie op andere wijze bereikt en de voorzetting van de vervolging zal enkel nadelige gevolgen hebben voor verdachte. De rechtbank heeft ter zitting dit verweer verworpen. Vaststaat dat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn. Het opstellen van de rapportage door het NFI heeft weliswaar veel tijd gekost, maar dekt niet de overschrijding zoals hier aan de orde. De hoofdregel van de Hoge Raad is dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden in deze zaak niet maken dat dit in dit geval anders zou moeten zijn. Vaststaat dat verdachte ten tijde van het incident 16 jaar was en dat het jeugdstrafrecht van toepassing is. Met het jeugdstrafrecht worden deels andere doelen nagestreefd dan met het volwassenenstrafrecht het geval is. Het hoofddoel van een positieve pedagogische ontwikkeling van verdachte staat voorop, wat maakt dat een reactie op grond van het jeugdstrafrecht snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Aan de andere kant is er het belang van de maatschappij bij vervolging en berechting van een verdachte. Deze belangen moeten tegen elkaar worden afgewogen. In dit verband heeft de rechtbank opgemerkt dat het in dit geval gaat om de verdenking van een qua aard zeer ernstig en heftig strafbaar feit waarbij ook sprake is van een slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de waarheidsvinding door de overschrijding van de redelijke termijn niet is bemoeilijkt en dat op dat moment niet is gebleken dat op onjuiste wijze aan waarheidsvinding is gedaan. Uiteraard heeft de rechtbank wel oog voor de doorgemaakte positieve ontwikkeling bij verdachte, maar daarmee kan op een andere wijze rekening worden gehouden. De rechtbank heeft de officier ontvankelijk geacht in de vervolging. Bij pleidooi heeft de verdediging verzocht dit oordeel te heroverwegen. De rechtbank ziet in het verhandelde ter zitting daarvoor echter geen aanleiding. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. 3.4 Es geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde, de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij onder meer op de medische bevindingen, de uitgewerkte 112-melding, het onderzoek aan de mobiele telefoon van verdachte en de verklaringen van de ambulancemedewerkers, [de moeder] , haar vader en van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten kan komen en wijst daarbij op de vraag die tot op heden onbeantwoord is gebleven, namelijk wat heeft er zich de bewuste avond afgespeeld. De verdediging heeft aangegeven dat kan worden vastgesteld dat verdachte een moment alleen met [slachtoffer] is geweest. Zij stelt tevens dat de moeder van [slachtoffer] (hierna: [de moeder] ) ook enige tijd alleen met [slachtoffer] is geweest. Nadat zij uit de douche was gekomen, is verdachte namelijk meteen gaan bellen in het portiek voor de woning. Op dat ogenblik was [de moeder] alleen met [slachtoffer] in de woning. Daarnaast is zij ook een moment met [slachtoffer] alleen geweest, toen verdachte lag te gamen in de woonkamer. Zij wandelde toen met de baby door de woning. Op basis van het dossier kan dan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden bewezen dat het letsel en de klachten die passen bij het geconstateerde hersenletsel zich hebben verwezenlijkt op een moment dat uitsluitend verdachte alleen met [slachtoffer] is geweest. Daarom wordt primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is verzocht verdachte vrij te spreken van de poging tot doodslag. Verdachte heeft niet het (voorwaardelijk) opzet gehad op de dood van [slachtoffer] . De verdediging meent dat niet zonder meer uitgegaan kan worden van het feit dat verdachte de kans op overlijden heeft kunnen overzien, noch dat hij deze heeft aanvaard. Zeker gezien de jonge leeftijd van verdachte destijds. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wordt, ingeval de rechtbank van oordeel is dat het letsel is ontstaan toen verdachte alleen was met [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten en omstandigheden Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Verbalisanten kregen op 11 augustus 2018 omstreeks 21.45 uur een melding om te gaan naar een woning waar een baby aanwezig zou zijn die niet meer kon ademen. De melding bleek door verdachte te zijn gedaan. Voordat de politie ter plaatse kwam, was de ambulance al gearriveerd. Ambulanceverpleegkundige [naam 1] heeft aangegeven dat de baby, [slachtoffer] genaamd, heel bleek was en niet reageerde. [naam 1] trok al snel de conclusie dat er geen sprake kon zijn van een spontane verwonding, gezien de combinatie van bewustzijnsproblemen en een enorme bult/zwelling bij zijn oor. [slachtoffer] werd daarop vervoerd naar het [kinderziekenhuis] te [plaats 1] . Daar werd hij onderzocht en intensief behandeld. Een CT-scan en MRI-scan lieten breuken in de schedel zien aan beide zijden van het hoofd, meerdere bloedingen in het hoofd en zwelling van de hersenen met name aan de rechterzijde. De oogarts constateerde voorts bloedingen in het netvlies van het rechter oog van [slachtoffer] . In het verslag van het voornoemde ziekenhuis is voorts vermeld dat het ernstige schedel hersenletsel bij [slachtoffer] passend is bij een uitwendige geweldsinwerking en dat er kans is op blijvende beperkingen. Dr. [naam 2] , forensisch arts van het NFI, heeft nader onderzocht hoe en wanneer het letsel bij [slachtoffer] kan zijn ontstaan. Naar zijn inzicht is de combinatie van letsel in en aan het hoofd een gevolg van heftig stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd, op één of meer dan één moment, al dan niet in combinatie met heftige acceleratie-deceleratie krachtsinwerkingen. In het kader van de datering van het letsel concludeert de arts dat de veroorzakende krachtsinwerking juist vóór – in enkele seconden ‒ het ontstaan van de klinische verschijnselen, zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau, ernstige ademhalingsstoornissen of ademstilstand en frequente epileptische activiteit, ofwel direct na het laatste moment van normaal functioneren, moet hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat het schedelhersenletsel dermate acuut en ernstig was, dat het direct na het laatste moment van normaal functioneren of reageren moet zijn ontstaan. Gezien de leeftijd van het kind kunnen de schedelbreuken niet door hem zelf zijn toegebracht. Verder passen de schedelbreuken niet bij de normale verzorging en hantering van een gezond jong kind.De zwelling kan zijn ontstaan door stomp botsende krachtsinwerking op het hoofd van het kind (aanvankelijk) ongeveer in de omgeving van de eerst zichtbare zwelling. Binnen een aantal urenkunnen weke delen zwellingen buitenwaarts langs de schedel zich verspreiden door de zwaartekracht. Gelet op de combinatie van medische bevindingen in en aan het hoofd van [slachtoffer] , acht de arts de hypothese van een medische (ziekelijke) oorzaak en krachtsinwerking rondom de geboorte uitgesloten en acht hij de hypothese van een niet-accidentele krachtsinwerking waarschijnlijker dan de hypothese van accidentele krachtsinwerking. De verklaringen van verdachte en de moeder van [slachtoffer] over de momenten waarop en kort voordat bij [slachtoffer] de ziekteverschijnselen werden opgemerkt sluiten op elkaar aan. Uit de verklaringen van zowel verdachte als [de moeder] volgt dat verdachte met [slachtoffer] in de avond van 11 augustus 2018 alleen was in de woonkamer op het moment dat [de moeder] ging douchen. Verdachte heeft aangegeven dat hij toen met [slachtoffer] is gaan lopen en dat [slachtoffer] stikgeluiden begon te maken, alsof [slachtoffer] hapte naar adem. Verdachte zou [slachtoffer] vervolgens in het campingbedje hebben gelegd. Verdachte zag dat [slachtoffer] “wat witter” was. Kort daarna kwam [de moeder] uit de douche, omdat zij door verdachte werd geroepen.. [de moeder] heeft verklaard dat verdachte helemaal in paniek was en zei dat [slachtoffer] raar deed. Zij spreekt over rare en pruttelende geluiden die [slachtoffer] toen maakte. Zij pakte [slachtoffer] vast, die eerst nog wat jammerde en die daarna keihard ging gillen. Aansluitend viel [slachtoffer] volgens haar weer weg alsof hij geen zuurstof kreeg. Het hoofd van [slachtoffer] bleef hangen en bleef niet rechtop staan. Deze gedragingen van [slachtoffer] herhaalden zich totdat hij door de ambulancebroeder onder narcose werd gebracht. Tussentijds bemerkte [de moeder] een bult op het achterhoofd van [slachtoffer] , die er eerder die avond nog niet was. Verdachte heeft bevestigd dat het hoofdje van [slachtoffer] bleef hangen. Tussenconclusie Op basis van de bevindingen van de forensisch arts van het NFI stelt de echtbank vast dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel heel kort vóór de klinische verschijnselen is ontstaan. Gelet hierop en gezien de verklaringen van verdachte en [de moeder] is de rechtbank van oordeel dat het letsel moet zijn ontstaan op het moment dat [de moeder] onder de douche stond en verdachte zich alleen met [slachtoffer] in de woonkamer bevond. Daarbij komt dat vóór het moment van douchen [slachtoffer] nog normaal functioneerde, nu daar als zodanig over is verklaard en niet anders is gebleken. De rechtbank is verder van oordeel, gelet op de bevindingen van de deskundige, dat het vastgestelde letsel niet accidenteel/per ongeluk is veroorzaakt, en dus toegebracht letsel betreft. Te meer, nu ook niet is verklaard of gemeld dat een ongeval of ongeluk met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Heeft verdachte dit letsel toegebracht? Vaststaat dat er op het moment dat [de moeder] gaat douchen niets aan de hand was met [slachtoffer] Hij functioneerde normaal. Zoals reeds volgt uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van verdachte en [de moeder] , maar ook uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting, is verdachte gedurende de tijd dat [de moeder] heeft gedoucht alleen geweest met [slachtoffer] Op het moment dat [slachtoffer] de eerste klinische verschijnselen vertoonde zoals genoemde stikgeluiden, het bleker worden en een slaphangend hoofdje, heeft verdachte direct [de moeder] geroepen, waarna zij ook direct onder de douche vandaan is gekomen. Zij constateerde dezelfde verschijnselen bij [slachtoffer] Nu vaststaat dat tussen het moment van douchen van [de moeder] en de aanvang van de klinische verschijnselen verdachte als enige bij en met [slachtoffer] was, houdt de rechtbank verdachte verantwoordelijk voor het ontstaan van het letsel. (Alternatieve) scenario’s? De verdediging heeft gewezen op twee scenario’s, te weten twee momenten waarop niet verdachte maar [de moeder] alleen met [slachtoffer] is geweest en op welke momenten het letsel eveneens kan zijn veroorzaakt. Het eerste moment betreft het moment dat verdachte nog lag te gamen in de woonkamer en [de moeder] met [slachtoffer] in de woning ging wandelen. Het tweede moment duidt op de situatie dat, nadat [de moeder] uit de douche was gekomen en [slachtoffer] aantrof, verdachte was gaan bellen in het portiek van de woning, terwijl [de moeder] alleen met [slachtoffer] in de woonkamer verbleef. De rechtbank acht het eerste scenario niet aannemelijk geworden, nu dit alleen bij monde van de raadsman naar voren is gebracht en door niets of niemand wordt ondersteund. Noch verdachte noch [de moeder] verklaren zelf hierover. Het moment dat verdachte zijn ouders en de ambulance heeft gebeld betreft een moment nádat [verdachte] reeds alleen was geweest met [slachtoffer] , terwijl verdachte en [de moeder] op dat moment al (samen) hadden geconstateerd dat [slachtoffer] ziekteverschijnselen vertoonde. Dat was juist de aanleiding om de ouders en hulpdiensten te alarmeren. Verdachte heeft aangegeven dat hij toen in paniek was over wat er met [slachtoffer] aan de hand was, hetgeen tevens blijkt uit het 112-telefoongesprek. Dit betekent dat het letsel voorafgaand aan het bellen en dus voor het door de verdediging aangegeven moment van alleen zijn van [de moeder] met [slachtoffer] is toegebracht. Bovendien heeft verdachte ter zitting aangegeven dat hij niet heeft gehoord dat er binnen iets gebeurde op het moment dat hij buiten aan het bellen was. Ook dit scenario is niet aannemelijk te achten. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging omtrent de door haar aangevoerde scenario’s. Opzet op poging doodslag? De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de gedragingen van verdachte zijn te kwalificeren. Ten eerste dient zij te beoordelen of [verdachte] het opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] te doden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de concrete handelingen en gedragingen van verdachte niet zijn vast te stellen. Wel wordt in het NFI-rapport gesproken over heftige krachtsinwerking(en) op het hoofd. Ook wordt daarin gesteld dat dit tot de dood had kunnen leiden, maar daarmee is niet gezegd dat verdachte het vol opzet heeft gehad om [slachtoffer] om het leven te brengen. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier, zodat de rechtbank het bewijs daarvoor niet aanwezig acht. Dat laat nog de mogelijkheid open dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Daarvan zou sprake kunnen zijn als vastgesteld kan worden dat de kans op overlijden aanmerkelijk is bij het toebrengen van het geconstateerde letsel en als voorts vastgesteld kan worden dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. De kans dat een baby komt te overlijden als gevolg van heftig stomp botsend geweld op het hoofd ten/of door de baby krachtig te schudden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De vraag is echter of verdachte, als zestienjarige ten tijde van het tenlastegelegde feit, die aanmerkelijke kans dat de dood zou kunnen intreden ook bewust heeft aanvaard. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. Dit heeft te maken met de (toen) jeugdige leeftijd van [verdachte] in combinatie met het feit dat niets bekend is over zijn kennis en kunde als verzorger alsmede de omstandigheid dat niet exact vastgesteld is kunnen worden welke handelingen van verdachte het letsel bij [slachtoffer] hebben veroorzaakt. De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van de poging tot doodslag, zoals primair is tenlastegelegd. Opzet op zware mishandeling? Om dezelfde reden als hiervoor genoemd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de intentie heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer] Van vol opzet is daarom geen sprake. De rechtbank acht het voorwaardelijk opzet op zware mishandeling wel aanwezig. Gerelateerd aan hetgeen hierboven is uiteengezet, bestaat de aanmerkelijke kans dat door stomp botsend geweld toe te passen op een baby en/of door de baby krachtig te schudden, zwaar lichamelijk letsel bij de baby wordt veroorzaakt. Weliswaar valt niet vast te stellen welke handelingen verdachte precies heeft verricht, naar duidelijk is dat het handelen van verdachte een enorme krachtsinwerking op het hoofd van [slachtoffer] moet hebben gehad al dan niet in combinatie met hevig schudden. Anders gezegd, vaststaat dat verdachte met kracht heeft gehandeld en het hoofd van een baby is zeer kwetsbaar. Dit betekent dus dat het handelen van [slachtoffer] zozeer gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zou intreden. Ook op zijn jeugdige leeftijd moet verdachte zich dit hebben gerealiseerd. Eindconclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, de zware mishandeling. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte subsidiair: op 11 augustus 2018 te [plaats 2] aan [slachtoffer][slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, teweten ernstig hoofdtrauma (breuken in de schedel en bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [de moeder]- (zeer heftig) uitwendig inwerkendbotsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of- meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht doorelkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderszins geweld uit te oefenenop zijn lichaam en/of zijn hoofd. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 150 uren, rekening houdend met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zijn strafblad en het tijdsverloop. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de gevorderde werkstraf enigszins te matigen. Daarbij wordt gewezen op de positieve ontwikkeling die verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Hij heeft hard aan zichzelf gewerkt. Zo heeft hij een zelfstandigheidstraining gevolgd, heeft hij zich ingezet om zijn normen en waarden een positieve wending te geven en is hij uiteindelijk doorgestroomd naar zijn eigen appartement. Verdachte is vader van een jong kind, heeft een fulltime baan, zorgt voor het behoud van de woning van zijn vader en kan goed van zijn salaris rondkomen. Tevens wordt door de verdediging verwezen naar de inhoud van het reclasseringsrapport. Verder wordt gevraagd rekening te houden met de extreme overschrijding van de redelijke termijn. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van het feit Verdachte heeft zich op 11 augustus 2018 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van de drie-en-een-halve maand oude baby [slachtoffer] . Met de moeder van [slachtoffer] had hij destijds een relatie. Op het moment dat de moeder even onder de douche stond, was [verdachte] alleen met [slachtoffer] en heeft hij hem iets aangedaan. Welke handelingen [verdachte] concreet heeft verricht bij [slachtoffer] is niet exact vast te stellen, wel dat dit met kracht is geweest. Wat [verdachte] heeft bewogen om [slachtoffer] zwaar te mishandelen is onbekend gebleven. Wat wel vast is komen te staan, is dat [slachtoffer] door toedoen van [verdachte] onder meer een dubbele schedelbreuk en verschillende bloeduitstortingen in de hersenen heeft opgelopen. De rechtbank acht dit feit bijzonder ernstig. Verdachte heeft met zijn handelen een enorme inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een weerloos slachtoffer, een baby. Voor dit gedrag kan de rechtbank geen enkel begrip opbrengen, temeer nu verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er is gebeurd die bewuste avond. Het is een nachtmerrie voor elke ouder dat iets dergelijks gebeurt met zijn/haar kind, zeker nu niet bekend is wat de gebeurtenis in de toekomst voor gevolgen heeft: of het kind zal achterblijven in zijn ontwikkeling, of het kind lichamelijke en psychische klachten aan het incident overhoudt. Ter terechtzitting heeft de moeder van [slachtoffer] een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen. Daaruit blijkt dat [slachtoffer] enige tijd in kritieke toestand in het ziekenhuis heeft gelegen. Toen kon nog niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] als een “kasplantje” verder had moeten leven en dat wellicht voor hem moest worden beslist dat zijn leven beëindigd zou moeten worden. Gelukkig is het zo ver niet gekomen. In de slachtofferverklaring is evenwel vermeld dat [slachtoffer] last heeft gehad van epilepsie, dat hij is behandeld door een fysiotherapeut en dat hij veel onderzoeken en controles heeft ondergaan gericht op zijn motoriek, spraak/taal en psychologische ontwikkeling. Alle behandelingen zijn tot op heden nog niet afgerond. De persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is geweest. Zo is hij in 2019 nog veroordeeld voor twee mishandelingen. De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van 17 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.