RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/419019 / FA RK 24-657 Datum uitspraak: 19 april 2024 Beschikking van de meervoudige kamer over overdracht voogdij, vaststelling omgangsregeling en benoeming bijzondere curator in de zaak van [de pleegvader] (hierna: de pleegvader), wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat: mr. M. Kramer te Haarlem, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbende in de onderhavige zaak wordt aangemerkt: STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI), Als informanten zijn in de procedure betrokken: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. [de moeder] hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: -de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren. 1Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 12 februari 2024 ingekomen verzoekschrift tot overdracht van de voogdij met bijlagen, aangevuld op 4 maart 2024 met het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. 1.2 Op 13 maart 2024 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken van de pleegvader mondeling behandeld, gelijktijdig met de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en tot beoordeling van een geschil in het kader van de ondertoezichtstelling (bij de rechtbank bekend onder de zaaknummers C/02/418829 / JE RK 24-203 en C/02/419562 / JE RK 24-356). Op deze verzoeken is bij separate beschikkingen beslist. Verschenen zijn: - de pleegvader, bijgestaan door zijn advocaat; - de vader, via een online verbinding; - de moeder; - een tweetal vertegenwoordigers van de GI; - een vertegenwoordigster van de Raad. Tevens was met bijzondere toestemming van de rechtbank aanwezig: - de heer [naam] , partner van de pleegvader. Niet verschenen is: - mr. K. Oomen, in haar hoedanigheid als advocaat van de [minderjarige] . 1.3 De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om over het verzoek te worden gehoord. Daar heeft [minderjarige] geen gebruik van gemaakt. 2De feiten 2.1 De [minderjarige] is op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] geboren als zoon van [de moeder] (de moeder) en [de vader] (de vader). 2.2 Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 september 2018 is het gezag van de vader en de moeder beëindigd en is de Stichting Intervence (rechtsvoorganger van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland) benoemd tot voogdes over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 december 2021 is de heer [de pleegvader] (pleegvader) benoemd tot voogd over [minderjarige] . 2.4 Bij beschikking van 20 december 2022 heeft de kinderrechter het verzoek om een beslissing te geven op de voorliggende verzoeken zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden afgewezen. De verzoeken zijn voor het overige aangehouden tot de nadere mondelinge behandeling op 22 december 2022. 2.5 Bij beschikking van 22 december 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 december 2022 en tot 22 maart 2023. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 22 december 2022 en tot 22 maart 2023. 2.6 Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] , na een voorlopige ondertoezichtstelling, onder toezicht gesteld tot 22 maart 2024. 2.7 Bij dezelfde beschikking van 14 maart 2023 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 maart 2024. Op grond daarvan verbleef [minderjarige] bij een [woongroep] . 2.8 Op 20 juni 2023 is een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 20 juni 2023 en tot 4 juli 2023. 2.9 Bij beschikking van 29 juni 2023 is de spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd met ingang van 4 juli 2023 en tot 18 juli 2023. Het reguliere verzoek is aangehouden. 2.10 Bij beschikking van 14 juli 2023 is de machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd tot 18 september 2023. 2.11 Bij beschikking van 11 september 2023 is de machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd tot 18 januari 2024. 2.12 Bij beschikking van 12 januari 2024 is de machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlengd tot 22 maart 2024. 2.13 Bij beschikking van 13 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 maart 2024 en tot 22 maart 2025. 2.14 Op 21 maart 2024 is een spoedbeschikking tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 21 maart 2024 en tot 4 april 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 3De verzoeken 3.1 De pleegvader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij van de voogdij over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] , wordt ontslagen en waarbij de GI Stichting Jeugdbescherming west Zeeland tot voogd over voornoemde minderjarige wordt benoemd. 3.2 Tevens verzoekt de pleegvader, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vast te stellen van eens per maand een dagdeel (in ieder geval twee uur) onder begeleiding van Jeugdbescherming west Zeeland of een andere aangewezen, geschikte jeugdhulporganisatie. 4De beoordeling 4.1 Overdracht voogdij 4.1.1 Op grond van artikel 1:322 BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan, indien een daartoe bevoegd persoon/gecertificeerde instelling zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarige acht. 4.1.2 Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat de pleegvader niet langer de voogdij over [minderjarige] wenst te dragen, onder meer omdat dit volgens de pleegvader ten goede zal komen aan zijn band met [minderjarige] . De pleegvader heeft toegelicht dat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt met [minderjarige] en er ook in de toekomst voor [minderjarige] wil (blijven) zijn. Hij wil daarom graag betrokken blijven in het leven van [minderjarige] en acht een neutraal-positieve relatie met [minderjarige] daarvoor noodzakelijk. Dit kan volgens de pleegvader worden bereikt als hij niet langer de gezagsbeslissingen over [minderjarige] hoeft te nemen. Desalniettemin is ten tijde van de mondelinge behandeling nadrukkelijk namens de pleegvader verzocht om het verzoek tot overdracht van de voogdij voorlopig aan te houden, in ieder geval totdat de rechtbank een beslissing heeft genomen over het verzoek van de GI tot beoordeling van een geschil in het kader van de ondertoezichtstelling en er meer duidelijkheid is ontstaan over, dan wel onderzoek wordt verricht naar de toekomstige verblijfsplek van [minderjarige] . De rechtbank begrijpt dat de pleegvader daar nog graag zijn verantwoordelijkheid voor wil nemen. 4.1.3 Het is de rechtbank voorts gebleken dat beide ouders het eens zijn met het verzoek tot overdracht van de voogdij. Zij hebben ten tijde van de mondelinge behandeling allebei aangegeven dat zij het liefst zelf weer met het gezag over [minderjarige] zouden willen worden belast, maar dat ligt nu niet ter beoordeling voor. Daarom gaat de voorkeur van zowel de vader als de moeder uit naar de GI als neutrale voogd voor [minderjarige] . De Raad heeft aangegeven het verzoek van de pleegvader tot ontslag van de voogdij te begrijpen en heeft zich aangesloten bij het standpunt van de pleegvader om het verzoek aan te houden in afwachting van de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de GI tot beoordeling van het geschil. De GI heeft zich bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden, zoals blijkt uit de schriftelijke bereidverklaring van 23 januari 2024, en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven het verstandig te vinden dat wel direct wordt beslist op het verzoek tot overdracht van de voogdij, omdat dit zowel [minderjarige] als de vader rust zal brengen. 4.1.4 De rechtbank overweegt als volgt. Eigenlijk achten alle betrokkenen het aangewezen dat de voogdij aan de GI wordt overgedragen. Verschil van mening is er alleen over wanneer dit moet gebeuren. Dit zou te maken kunnen hebben met een verschil van visie tussen de GI en de pleegvader over wat op dit moment het beste voor [minderjarige] is. De rechtbank begrijpt dat de pleegvader van mening is dat [minderjarige] alleen vanuit een gesloten plaatsing veilig kan worden behandeld en zeker niet vanuit een plaatsing bij de vader, terwijl de GI heeft aangegeven niet meer achter een gesloten plaatsing te staan en ook wil onderzoeken of een plaatsing bij vader tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. De rechtbank acht het gelet op de inhoud en strekking van dit geschil tussen de pleegvader en de GI voor nu aangewezen om het verzoek tot overdracht van de voogdij aan te houden. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat er bij alle betrokkenen momenteel sprake is van veel onrust en onenigheid over wat er op de korte en middellange termijn nodig is voor [minderjarige] . Ook de Raad en de GI zitten daarover niet op een lijn en de verhoudingen tussen de GI en de pleegvader en de vader en de pleegvader lijken verstoord. Daar lijkt [minderjarige] inmiddels ook een rol in te hebben gekregen en daarnaast nemen de zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] steeds verder toe, zoals ook blijkt uit de beschikking inzake het verzoek van de GI tot beoordeling van een geschil in het kader van de ondertoezichtstelling van heden, geregistreerd onder zaaknummer C/02/419562 / JE RK 24-356. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het passend om thans nog niet te beslissen op het verzoek tot overdracht van de voogdij. Derhalve zal de rechtbank de behandeling van het verzoek aanhouden tot de mondelinge behandeling van [datum] 2024 om [uur]. De (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.