RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 10552797 CV EXPL 23-1397 Vonnis van 10 januari 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. M. Kalle, tegen
- [gedaagde 1] C.V., H.O.D.N. [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 2] ,
- [gedaagde 2], wonende te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagden] , procederend in persoon. 1Hoe is deze procedure verlopen? 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 juli 2023; - de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser] ; - de mondelinge behandeling van 11 december 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Wat zijn de feiten in deze zaak? 2.
- [eiser] en [gedaagden] zijn op 23 juni 2016 overeengekomen dat [gedaagden] de financiën van [eiser] zou beheren in verband met de problematische schulden van [eiser] . Verder zou [gedaagden] minnelijke regelingen proberen te treffen met de schuldeisers van [eiser] en de schulden van [eiser] aflossen. Er is een beheerrekening geopend voor [eiser] bij de ING. Hiervan betaalde [gedaagden] in overeenstemming met [eiser] iedere maand € 50,00 aan zichzelf. 2.
- Bij aanvang van de werkzaamheden heeft [eiser] een schuldenlijst opgesteld. [eiser] had op dat moment meerdere schuldeisers, waaronder [bedrijf 2] . De totale schuld van [eiser] bedroeg € 30.493,
- 2.
- Sinds 14 juni 2020 kan [eiser] weer zelf over zijn bankrekeningen beschikken. Ook heeft hij de bankafschriften ontvangen van de beheerrekening van de ING. Uit die bankafschriften blijkt dat [gedaagden] van de inkomsten van [eiser] een bedrag van € 30.493,32 gereserveerd had voor het aflossen van zijn schulden. 2.
- Uit de bankafschriften blijkt verder dat er gedurende enkele maanden € 50,00 per maand, met een totaal van € 350,00, is betaald aan de heer [naam] van Schuldhulpverlening Zuid West Nederland (hierna: [naam] ). 2.
- Tot slot heeft [eiser] ontdekt dat de minnelijke regeling die met [bedrijf 2] was overeengekomen, slechts voor een deel is nagekomen. [bedrijf 2] heeft aan [eiser] laten weten dat hij nog een bedrag van € 13.774,00 moet betalen. 2.
- Zowel [eiser] als zijn gemachtigde hebben [gedaagden] meerdere malen – zonder resultaat – om opheldering gevraagd over de betalingen aan [naam] en [bedrijf 2] . [gedaagden] heeft op 21 april 2021 via WhatsApp toegezegd om de rest van de schuld die dag nog aan [bedrijf 2] te betalen. Die toezegging is hij niet nagekomen. 2.
- Op 12 april 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagden] gesommeerd om binnen veertien dagen na ontvangst van de brief een bedrag van € 14.124,00 te betalen. Als [gedaagden] dat niet zou doen, dan zouden ook de incassokosten van € 1.108,65 inclusief btw bij hem in rekening worden gebracht. [gedaagden] is niet tot betaling overgegaan. 3Wat vordert [eiser] en wat vindt [gedaagden] daarvan? 3.
- [eiser] vordert dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot het betalen van de hoofdsom van € 14.124,00 en de incassokosten van € 1.108,65, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten. 3.
- [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] van de inkomsten van [eiser] voldoende geld bij elkaar heeft gespaard om alle schulden van [eiser] af te lossen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Er staat namelijk nog een schuld open bij [bedrijf 2] van € 13.774,
- Verder is [gedaagden] zijn bevoegdheden te buiten gegaan door van het geld van [eiser] in totaal € 350,00 aan [naam] over te maken. [eiser] heeft daar nooit mee ingestemd. [gedaagden] is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst die hij met [eiser] heeft gesloten. [eiser] heeft hierdoor € 14.124,00 aan schade geleden. [gedaagden] moet deze schade vergoeden. Omdat [gedaagden] geen gehoor heeft gegeven aan de sommatie tot betaling, is hij ook de incassokosten en wettelijke rente verschuldigd. 3.
- [gedaagden] is het niet eens met de vordering van [eiser] . Het is volgens [gedaagden] duidelijk dat [naam] in opdracht van [eiser] heeft gehandeld. Verder voert [gedaagden] aan dat hij met bewijsmiddelen kan aantonen dat hij betalingen heeft gedaan aan [bedrijf 2] . 4Hoe beoordeelt de kantonrechter deze zaak? toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst 4.
- Uitgaande van de verklaring van [eiser] , die door [gedaagden] niet weersproken is, stelt de kantonrechter vast dat [gedaagden] een bedrag bij elkaar had gespaard dat zo hoog was dat de volledige schuld van [eiser] ermee kon worden afgelost. Het is echter onduidelijk wat [gedaagden] vervolgens precies met dat geld heeft gedaan. Die duidelijkheid zal er wellicht ook nooit komen. De schuld aan [bedrijf 2] is volgens [eiser] in ieder geval niet volledig afgelost. Daarvan staat nog een bedrag van € 13.774,00 open. Dit wordt bevestigd door de e-mails van [bedrijf 2] die bij aanvullende productie door [eiser] zijn overgelegd. [gedaagden] weerspreekt die stelling niet, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. 4.
- [gedaagden] heeft wél weersproken dat [eiser] geen opdracht aan [naam] heeft gegeven om werkzaamheden voor hem te verrichten. Om zijn standpunt te onderbouwen, verwijst [gedaagden] naar verschillende brieven die [naam] in het kader van de schuldhulpverlening en de onderhoudsverplichting van het kind van [eiser] heeft verstuurd. Die brieven heeft de kantonrechter gezien. Uit de brieven blijkt echter niet dat ze in opdracht van [eiser] zijn verstuurd. Dat er een overeenkomst bestond tussen [naam] en [eiser] , had [gedaagden] dus beter moeten onderbouwen. Voor zover zij een schriftelijke overeenkomst hadden gesloten, had [gedaagden] die in het geding kunnen brengen. Verder wordt de stelling dat [eiser] er niet mee heeft ingestemd dat [gedaagden] € 50,00 per maand aan [naam] zou betalen, niet betwist. Van een andere goede reden voor die betalingen is niet gebleken. Daarmee staat vast dat [gedaagden] niet bevoegd was om die betalingen te doen. 4.
- De kantonrechter volgt [eiser] in zijn standpunt dat van [gedaagden] als professioneel schuldhulpverlener verwacht had mogen worden dat hij de schuld bij [bedrijf 2] had afgelost door middel van het bij elkaar gespaarde bedrag. Ook had van [gedaagden] verwacht mogen worden dat hij geen betalingen zou doen aan [naam] waartoe hij niet bevoegd was. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagden] inderdaad toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hij moet de schade die [eiser] daardoor heeft geleden vergoeden. Dit volgt uit artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek. verzuim 4.
- Voordat de vordering tot het vergoeden van de schade kan worden toegewezen, moet de kantonrechter nog beoordelen of er sprake is van verzuim. Dat wil zeggen dat [gedaagden] in de gelegenheid moet zijn gesteld om het geld aan [eiser] terug te betalen. [eiser] heeft daarover verklaard dat [gedaagden] op 21 april 2021 via WhatsApp al heeft toegezegd het geld diezelfde dag alsnog aan [bedrijf 2] te betalen, maar dat hij dat niet heeft gedaan. Daarna is [gedaagden] bij brief van 12 april 2023 nog eens een termijn gegund om zowel het geld van [bedrijf 2] als van [naam] rechtstreeks aan [eiser] te betalen. Daaraan heeft [gedaagden] geen gehoor gegeven. De kantonrechter heeft zowel het WhatsApp bericht als de brief gezien. [gedaagden] heeft de verklaringen van [eiser] niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid van deze verklaringen uit zal gaan. Dit betekent dat [gedaagden] nu in verzuim verkeert. De kantonrechter wijst de vordering tot het vergoeden van de schade daarom toe. buitengerechtelijke incassokosten 4.
- [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 1.108,65 toegewezen. wettelijke rente 4.
- Tegen de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding heeft [gedaagden] geen bezwaar gemaakt. De kantonrechter zal deze vordering dan ook toewijzen. proceskosten 4.
- [gedaagden] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld: - kosten van de dagvaarding € 133,14 - griffierecht € 693,00 - salaris gemachtigde € 792,00 (2,00 punten × € 396,00) - nakosten € 132,00 (maximaal tarief) Totaal € 1.750,14 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.232,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, met ingang van 10 januari 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.750,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagden] ook de kosten van betekening betalen, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024.