RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/1707 en 24/1703 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. L.J. de Rijke), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 8 februari 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.833. Daarbij is een bedrag van € 342 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. De inspecteur heeft voor het jaar 2018 eveneens een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 24.308. Daarbij is een bedrag van € 5 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.3. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur aan belanghebbende vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 2.161 (IB/PVV) en € 686 (Zvw) (de boetebeschikkingen). 1.4. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende tot haar bijstand vergezeld van [naam 1] en de gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de boetes terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en de belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd tot respectievelijk € 1.791 en € 617. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is gehuwd met [naam 2] . Zij heeft in 2018 € 7.885 aan inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten. De partner heeft in 2018 geen inkomsten genoten. 3.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.885, verminderd met inkomsten uit eigen woning van € 7.360. 3.2. De inspecteur heeft bij de Rabobank en de ABN Amro Bank inzage gevraagd in de bankrekeningen van belanghebbende en haar partner. Uit transactieoverzichten blijkt dat belanghebbende en haar partner over het jaar 2018 contante stortingen van in totaal € 21.590 hebben gedaan op hun bankrekeningen. Deze stortingen bedroegen twaalf keer € 1.600 per maand en één keer € 2.390. 3.3. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur een bedrag van € 24.308 in aanmerking genomen als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als correctie op de ingediende aangifte. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Uitgaven € 35.208,66 Af: waarvan te verklaren inkomen € 14.784,52 Niet te verklaren: € 20.424,14 Bij: correctie eten € 3.884,75 Niet te verklaren: € 24.308,89 3.4. De aanslagen IB/PVV en Zvw voor 2018 zijn opgelegd in afwijking van de aangifte. Daarbij zijn tevens vergrijpboetes opgelegd van 50% over het betrokken bedrag aan IB/PVV en Zvw. Motivering Is de vereiste aangifte gedaan? 4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). 4.1. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.. 4.2. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende in 2018 meer inkomsten had dan zij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. 4.3. De inspecteur heeft in dat verband verwezen naar de transactieoverzichten van de Rabobank waarop de contante stortingen te zien zijn waarover belanghebbende in zijn optiek tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. 4.4. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat belanghebbende voor 2018 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende en haar partner hebben op regelmatige basis bedragen gestort op de bankrekeningen. Uit de overzichten blijkt dat het (grotendeels) gaat om vaste bedragen om en nabij de € 1.600 die veelal steeds tegen het einde van de maand zijn gestort. Van belanghebbende mag worden verlangd dat zij een plausibele, voldoende onderbouwde en verifieerbare, verklaring geeft wat betreft de herkomst van de gelden. Daarin is zij niet geslaagd. 4.5. Belanghebbende heeft verklaard dat zij en de partner elke maand contant geld leenden van familie en vrienden en zij dat geld vervolgens op hun rekeningen stortten. De schriftelijke verklaringen van familieleden dat de bedragen door hen zijn verstrekt voor levensonderhoud zijn onvoldoende onderbouwd en daardoor onvoldoende geloofwaardig. Daarbij komt dat zelfs als wordt uitgegaan van de verklaringen, nog steeds een onverklaarbaar verschil bestaat met betrekking tot de hoogte van de contante stortingen. Ook belanghebbendes verklaring ter zitting dat zij voor familieleden online zaken heeft aangekocht die contant aan haar zijn terugbetaald is niet onderbouwd aan de hand van stukken. 4.6. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende onvoldoende verklaring gegeven voor de contante stortingen en acht de rechtbank aannemelijk dat de bedragen afkomstig zijn uit (niet-aangegeven) inkomen verdiend met werkzaamheden. Mede gelet op belanghebbendes verklaring dat de partner niet werkt, is daarnaast aannemelijk dat belanghebbende het inkomen heeft verdiend. 4.7. De rechtbank acht ook aannemelijk - mede gezien de hoogte van de stortingen - dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat zij het inkomen niet in haar aangifte heeft verantwoord. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. 4.8. Het voorgaande geldt eveneens voor de Zvw. Redelijke schatting en de verzwaarde bewijslast 4.9. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV/Zvw voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.