RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/2636 en 23/2637 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 20 april 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een ambtshalve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12. Daarbij is een bedrag van € 1.252 aan belastingrente in rekening gebracht. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 6.750. 1.2. De inspecteur heeft voor het jaar 2018 eveneens een ambtshalve aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.000. Daarbij is een bedrag van € 234 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikking gehandhaafd. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende tot zijn bijstand vergezeld van [naam] en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen en de boete naar de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en de belastingrentebeschikkingen tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Ook de boete moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende is per 1 oktober 2018 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel als handelaar in metalen. Sinds 20 februari 2018 staat hij ingeschreven als bestuurder van de [stichting] . 3.1. Van belanghebbende zijn over 2018 geen inkomsten bekend. Zijn partner ontving in 2018 inkomsten uit dienstverband ter hoogte van € 2.224. 3.2. Belanghebbende is op 28 februari 2019 uitgenodigd voor het doen van aangifte voor het jaar 2018. Hij heeft, na daartoe te zijn herinnerd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV 2018 ingediend. 3.3. De inspecteur heeft met dagtekening 19 oktober 2021 een kennisgeving ambtshalve vaststelling inkomen 2018 aan belanghebbende verzonden waarin staat dat hij besloten heeft de aanslag 2018 op basis van een schatting vast te stellen. Ook is hierin het voornemen van het opleggen van een boete aangekondigd. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 11 november 2021 schriftelijk aan belanghebbende medegedeeld dat de termijn om te reageren op het voornemen tot het opleggen van de aanslag is verstreken en dat de aanslag IB/PVV 2018 en de boete zullen worden opgelegd. 3.4. De inspecteur heeft met dagtekening 8 december 2021 een ambtshalve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Het verzamelinkomen bedraagt € 45.012 en bestaat uit belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van 45.000 en inkomen uit sparen en beleggen van € 12. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 50%. Diezelfde dag is ook ambtshalve een aanslag Zvw voor 2018 opgelegd. Het bijdrage-inkomen bedraagt € 45.000 en bestaat eveneens uit belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. 3.5. Op 18 november 2021 heeft belanghebbende alsnog een aangifte IB/PVV voor 2018 ingediend. In de aangifte zijn geen inkomsten vermeld. Deze aangifte is aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen. 3.6. Met dagtekening 28 oktober 2022 is de ambtshalve aanslag IB/PVV 2018 herzien vanwege de arresten van de Hoge Raad met betrekking tot box 3 en is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot nihil. 3.7. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen, de beschikkingen belastingrente en de vergrijpboete gehandhaafd. Motivering Is de vereiste aangifte gedaan? 4. Op grond van artikel 27 e, eerste lid, van de AWR verklaart de rechter het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Nu belanghebbende niet heeft gereageerd op een uitnodiging tot het doen van aangifte op grond van artikel 6 van de AWR, heeft hij in beginsel de vereiste aangifte niet gedaan. Weliswaar heeft belanghebbende zijn aangifte ingediend op 18 november 2021, dus voor de dagtekening van de aanslag, echter op 11 november 2021 heeft de inspecteur al aan belanghebbende laten weten dat zijn termijn om op het voornemen te reageren is verstreken en dat de inspecteur een aanslag oplegt. Naar het oordeel van de rechtbank was het opleggen van de aanslag al in een dusdanig vergevorderd stadium op het moment van indienen van de aangifte dat de inspecteur bij het regelen van de aanslag redelijkerwijze geen rekening meer mee hoefde te houden. Redelijke schatting en de verzwaarde bewijslast 4.1. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV/Zvw voor het onderhavige jaar niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.