RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht Zittingsplaats Breda zaaknummer: 10826138 \ MB VERZ 23-672 CJIB-nummer: 3062 5422 4711 1641 uitspraakdatum: 4 april 2024 proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] [adres] [woonplaats] hierna: betrokkene Verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 4 april 2024 Namens de officier van justitie is verschenen mr. C.M. Oostdam (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Standpunten De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als (snor)fietser niet de rijbaan gebruiken als er geen verplicht fietspad of fiets/bromfietspad aanwezig is op de Doornboslaan te Breda op 13 januari 2022 om 14:13 uur. (R309) Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt niet meer dan vijftien meter op het fietspad te hebben gereden, want dat was de kortste route naar het tankstation. Hij paste zijn snelheid aan naar die van een fietser en stelt geen onveilige situatie te hebben gecreëerd. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat de tank van zijn scooter ver leeg was en dat hij daarom de kortste route wilde nemen. Ook was hij in de veronderstelling dat hij geen U-bocht mocht maken op de weg. Hierdoor zou het dan ook onmogelijk zijn om via de weg bij het tankstation te komen. Op het moment dat betrokkene op het fietspad kwam, is hij stapvoets gaan rijden. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene ontkent de gedraging niet, want hij geeft aan dat hij over het fietspad heeft gereden. Het is niet aan betrokkene om zelfstandig af te wijken. De zittingsvertegenwoordiger stelt dat er een onjuiste feitcode is opgelegd. De feitcode dient gewijzigd te worden naar R311 met als omschrijving: “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a)”. De omstandigheid en het sanctiebedrag zijn hetzelfde als de huidige feitcode die is opgelegd. Aangezien de boete dateert van 13 januari 2022 is er sprake van schending van de redelijke termijn, hierdoor dient de boete gematigd te worden met 25%. Ook is betrokkene bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden. Hierdoor moet de boete nogmaals gematigd worden met 25% aangezien er sprake is geweest van schending van de hoorplicht. Gelet op het bovenstaande verzoekt de zittingsvertegenwoordiger de boete te matigen tot € 56,
- Overwegingen Wijzigen feitcode De zittingsvertegenwoordiger heeft voorgesteld het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren in die zin dat de feitcode moet worden gewijzigd in feitcode R311 met als omschrijving: “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a)”. Aan betrokkene is een boete opgelegd voor feitcode R309 met als omschrijving “als (snor)fietser niet de rijbaan gebruiken als er geen verplicht fietspad of fiets/bromfietspad aanwezig is”. Uit het dossier en de stellingen van betrokkene is gebleken dat deze feitcode niet juist is, omdat betrokkene op een bromfiets reed. De verbalisant had feitcode R311 moeten gebruiken met als omschrijving “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a)”. Bij die feitcode hoort hetzelfde boetebedrag. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt betrokkene door deze wijziging van de feitcode niet in zijn belangen geschaad. Voor betrokkene was voldoende duidelijk waar de boete betrekking op had. Aan de gewijzigde feitcode ligt geen ander feitencomplex ten grondslag. De feitcode zal daarom worden gewijzigd. Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene erkent de gedraging ook. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om van een boete af te zien. De boete is dus terecht opgelegd. Schending hoorplicht Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond. De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Schending redelijke termijn Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete. In dit geval is de boete opgelegd op 13 januari 2022 en is de redelijke termijn dus met bijna drie maanden overschreden. Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter de boete matigen. De boete zal worden gematigd met 50%, de boete zal € 50,- bedragen. Conclusie De kantonrechter zal het beroep gegrond verklaren gelet op de schending van de hoorplicht. Voorts zal de kantonrechter de inleidende beschikking en de feitcode wijzigen, waarbij de boete wordt gematigd wegens schending van de hoorplicht en de redelijke termijn. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat o de feitcode wordt gewijzigd in R311 met als omschrijving: “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad (bord G12a)” en o het bedrag van de boete wordt gewijzigd in € 50,- plus € 9,- administratiekosten; - draagt de officier van justitie op het bedrag van € 50,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 4 april
- Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk. Datum verzending: